ECLI:NL:GHARL:2026:727

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
200.361.327
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 aanhef en onder c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet-naleving verplichtingen

De rechtbank Gelderland heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) van appellant tussentijds beëindigd vanwege verwijtbare tekortkomingen in de nakoming van de sollicitatie- en informatieplicht, het ontstaan van nieuwe schulden en een boedelachterstand.

Appellant was sinds februari 2023 onder beschermingsbewind en had diverse kortdurende dienstverbanden, waaronder een ontslag wegens verwijtbaar handelen. Ondanks een laatste kans om gedurende zes weken te laten zien dat hij aan zijn verplichtingen kon voldoen, voldeed appellant niet aan de sollicitatie- en informatieplicht. Bewijsstukken van sollicitaties waren incompleet en werden niet tijdig verstrekt.

Het hof oordeelt dat de door appellant aangevoerde positieve ontwikkelingen te pril zijn en dat het ontbreken van medewerking en een saneringsgezinde houding, mede door het verwijtbare ontslag en nieuwe schulden, rechtvaardigen dat de wsnp niet wordt verlengd. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de wsnp wegens niet-naleving van verplichtingen en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.327
insolventienummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 05/24/237
arrest van 9 februari 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [appellant]
advocaat: mr. A.A. Dooijeweerd

1.De procedure bij de rechtbank

1.1.
Bij vonnis van 1 augustus 2024 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank) [appellant] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: de wsnp). Hierbij is [bewindvoerder] benoemd tot bewindvoerder (hierna: de bewindvoerder).
1.2.
Op 27 februari 2025 is [appellant] verhoord door de rechter-commissaris. Vervolgens heeft de bewindvoerder een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wsnp ingediend. Op 25 september 2025 is een zitting geweest bij de rechtbank over het verzoek van de bewindvoerder. Op de zitting is [appellant] een laatste kans gegeven en is de beslissing vier weken aangehouden. Bij vonnis van 5 november 2025 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de toepassing van de wsnp van [appellant] tussentijds beëindigd zonder dat de rechtbank daarbij aan [appellant] de zogenoemde ‘schone lei’ heeft verleend. De rechtbank heeft bepaald dat [appellant] in staat van faillissement zal komen te verkeren zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof verwijst naar het vonnis.

2.De procedure bij het hof

2.1.
Door middel van een op 11 november 2025 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat het hof het vonnis vernietigt en de wsnp laat voortduren zo nodig met een verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling om [appellant] in de gelegenheid te stellen alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.
2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van:
  • het beroepschrift met producties
  • de brief van mr. Dooijeweerd van 8 december 2025 met producties
  • de brief van de bewindvoerder van 9 december 2025 met producties
  • de brief van de bewindvoerder van 27 januari 2026
  • de brief van mr. Dooijeweerd van 29 januari 2026 met bijlage.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Hierbij is [appellant] verschenen bijgestaan door mr. Dooijeweerd. Verder is de bewindvoerder verschenen. Ter zitting heeft mr. Dooijeweerd spreekaantekeningen overgelegd.
2.4.
Het hof heeft de zaak zes weken aangehouden en heeft bepaald dat de bewindvoerder op 27 januari 2026 een verslag diende uit te brengen van de wijze waarop [appellant] de sollicitatie- en inlichtingenplicht heeft nageleefd in de periode tussen 16 december 2025 en 27 januari 2026. Daarbij heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld uiterlijk 30 januari 2026 te reageren op het verslag van de bewindvoerder. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

De feiten
3.1.
[appellant] staat sinds 21 februari 2023 onder beschermingsbewind bij Bewindvoering [kantoornaam] . Vanaf 19 februari 2024 is [appellant] werkzaam geweest bij uitzendonderneming [bedrijf1] op basis van een uitzendovereenkomst voor 40 uur per week. Daar is hij op 7 november 2024 ontslagen wegens verwijtbaar handelen. Na zijn ontslag heeft [appellant] een WW-uitkering aangevraagd en is hij achtereenvolgens bij diverse werkgevers in dienst getreden. Deze dienstbetrekkingen zijn steeds van korte duur geweest. Vanaf 25 november 2025 is [appellant] werkzaam geweest bij [bedrijf] op basis van een uitzendovereenkomst voor 40 uur per week. Op 31 december 2025 heeft [appellant] aan de bewindvoerder een brief verstrekt waaruit blijkt dat het werk bij [bedrijf] is beëindigd op 16 december 2025. In de periode van 7 november 2024 tot en met 31 december 2025 heeft [appellant] in totaal twee weken fulltime gewerkt. Volgens de opgave van de bewindvoerder is de boedel tot en met september 2025 voor een bedrag van € 1.382,65 benadeeld als gevolg van het ontslag op 7 november 2024.
3.2.
Na de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] op 31 december 2025 bewijsstukken van twee sollicitaties gestuurd aan de bewindvoerder. Van de eerste sollicitatie heeft de bewindvoerder de vacature niet kunnen inzien. Van de tweede sollicitatie heeft de bewindvoerder alleen een afspraakbevestiging ontvangen. [appellant] heeft niet gereageerd op het verzoek van de bewindvoerder om haar alsnog de vacatures van beide sollicitaties en een kort verslag van het gesprek met de opdrachtgever te verstrekken. In een e-mail van 31 december 2025 heeft de bewindvoerder aan [appellant] (nogmaals) aangegeven welke sollicitatiebewijzen hij moest verstrekken. Op 9 januari 2026 heeft [appellant] 33 e-mails met sollicitatiebewijzen aan de bewindvoerder gestuurd. De bewindvoerder heeft van geen van de door [appellant] toegestuurde sollicitaties een complete vacaturetekst kunnen lezen. Op 15 januari 2026 heeft [appellant] de bewindvoerder opnieuw drie sollicitatiebewijzen zonder de bijbehorende vacatures gestuurd. Op 16 en op 19 januari 2026 heeft [appellant] aan de bewindvoerder twee sollicitatiebewijzen gestuurd, beide zonder de bijbehorende vacatures. Op 24 januari 2026 heeft [appellant] de bewindvoerder laten weten dat hij op 27 januari 2026 een contract zou aangaan met [uitzendbureau] om voor 40 uur per week als magazijn medewerker aan de slag te gaan bij een opdrachtgever in Apeldoorn.
3.3.
In februari 2025 is [appellant] aangehouden voor rijden onder invloed. Voor dit feit is hij door de politierechter veroordeeld tot een geldboete van € 500,-. Daarnaast zijn tijdens de wsnp diverse andere nieuwe schulden ontstaan. Een aantal van deze schulden heeft [appellant] (deels) afgelost. Op 1 december 2025 bestond het restant aan nieuwe schulden, onder meer, uit een schuld aan het LAVG wegens zwart rijden in de periode van februari 2025 tot en met mei 2025 en een schuld aan het CJIB vanwege de door de politierechter opgelegde boete. De nieuwe schulden bedroegen op dat moment in totaal € 2.039,48.
Het oordeel van de rechtbank
3.4.
De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds beëindigd omdat [appellant] verwijtbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieplicht en de informatieplicht. Bovendien is er sprake van een boedelachterstand en zijn er nieuwe schulden ontstaan die naar het oordeel van de rechtbank aan [appellant] kunnen worden verweten.
De grieven van [appellant]
3.5.
[appellant] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. In aanvulling op zijn beroepschrift, heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, onder meer, aangevoerd dat er sprake is van een stijgende lijn. Daarbij heeft [appellant] erop gewezen dat hij vanaf 25 november 2025 voltijds aan het werk was bij [bedrijf] in een functie die paste bij zijn opleiding en waaraan hij veel plezier beleefde. [appellant] heeft aangegeven dat hij zijn plek had gevonden bij deze werkgever en dat hij daar in dienst zou komen zodra hij er 1026 uren had gewerkt via het uitzendbureau. Volgens [appellant] zou hij bij [bedrijf] extra kunnen werken en meer kunnen sparen voor zijn schuldeisers. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook aangevoerd dat de lopende verplichtingen zijn nagekomen doordat hij een beschermingsbewindvoerder heeft en er een budgetplan is. Volgens [appellant] is hij in staat om, zo nodig met een verlenging van de looptijd, in de wsnp een bedrag gelijk aan zijn volledige schuldenlast bij elkaar te sparen en daarmee zijn crediteuren af te lossen.
Het oordeel van het hof
3.6.
Het hof zal oordelen dat de rechtbank de wsnp terecht tussentijds heeft beëindigd zonder toekenning van de schone lei en licht dit oordeel als volgt toe.
3.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof vastgesteld dat de stijgende lijn die door [appellant] werd aangevoerd te pril was om op basis daarvan een voortzetting van de wsnp, al dan niet met een verlengde termijn, te rechtvaardigen. In plaats daarvan heeft het hof [appellant] een laatste kans geboden om gedurende een periode van zes weken te laten zien dat hij op fulltime basis werkzaam zou kunnen blijven bij [bedrijf] en dat hij anders zijn sollicitatieplicht in acht zou nemen. Daarbij heeft het hof benadrukt dat [appellant] zijn informatieplicht ten opzichte van de bewindvoerder diende na te leven en is precies besproken wat er van hem in dat kader verwacht wordt.
3.8.
Het hof stelt vast dat [appellant] vanaf 16 december 2025 niet meer fulltime heeft gewerkt. Dit betekent dat voor hem vanaf dat moment de sollicitatieplicht weer gold. Tijdens de mondelinge behandeling is zowel door de bewindvoerder als door het hof uitgelegd welke sollicitatiebewijzen [appellant] diende te verstrekken. In haar e-mail van 31 december 2025 heeft de bewindvoerder dit nogmaals toegelicht aan [appellant] . Ondanks deze herhaalde instructies, heeft [appellant] sinds 16 december 2025 niet één volledig sollicitatiebewijs verstrekt aan de bewindvoerder. Daar komt bij dat [appellant] twee weken heeft gewacht voordat hij de bewindvoerder heeft laten weten dat het werk bij [bedrijf] op 16 december 2025 was gestopt.
3.9.
Uit het voorgaande volgt dat [appellant] ook in de periode na de mondelinge behandeling niet heeft voldaan aan de sollicitatie- en informatieplicht. Het blijkt (te) lastig te zijn voor [appellant] om deze verplichtingen zelf, zonder aanvullende hulp, na te leven. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat de wsnp verplichtingen ondanks het ingestelde beschermingsbewind niet worden nagekomen. Het is [appellant] (nog) niet gelukt om die hulp in te schakelen die hij nodig heeft om wel aan de sollicitatie- en informatieplicht te voldoen. [1]
3.10.
Onder de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat het ontbreekt aan de vereiste medewerking van [appellant] voor een doeltreffende uitvoering van de wsnp. [2] Het niet hebben van een voldoende saneringsgezinde houding blijkt daarnaast uit de boedelachterstand die is ontstaan als gevolg van het verwijtbare ontslag bij [bedrijf1] Dit volgt ook uit de nieuwe schulden die tijdens de wsnp zijn ontstaan en die aan [appellant] kunnen worden verweten, waaronder de schulden die verband houden met het zwartrijden en het rijden onder invloed.
3.11.
[appellant] heeft ook nadat het hof hem een laatste kans heeft gegeven om zich gedurende een periode van zes weken te houden aan de wsnp verplichtingen niet voldaan aan zijn sollicitatie- en informatieplicht. Dit brengt mee dat het hof geen grond ziet om de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen.
3.12.
Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Geldeland, zittingsplaats Zutphen van 5 november 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, M.P.M. Hennekens en J.G.B. Pikkemaat en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8310.
2.Vgl. HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR: 2009:BI0455.