ECLI:NL:GHARL:2026:736

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.352.900/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BWVerordening (EU) 2019/1111 (Brussel II-ter)Art. 7 lid 1 Brussel II-ter
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag en vaste omgangsregeling in belang minderjarige

De moeder en vader zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2022, die bij de moeder woont. De ouders hadden een affectieve relatie die in september 2023 eindigde. De vader heeft de minderjarige erkend, maar er is sprake van een gespannen relatie en gebrekkige communicatie tussen de ouders.

De rechtbank had gezamenlijk gezag vastgesteld en een zorgregeling waarbij de vader het kind om het weekend en incidenteel op woensdag zou zien. De moeder ging in hoger beroep tegen het gezamenlijk gezag en de zorgregeling en verzocht het hof deze te vernietigen en de verzoeken van de vader af te wijzen.

Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat het Nederlandse recht van toepassing is. Het hof stelt dat gezamenlijk gezag alleen kan worden toegewezen als ouders in staat zijn tot samenwerking en overleg, wat hier ontbreekt. De vader komt zijn zorgverplichtingen niet na en er is geen vertrouwen dat hij zijn rol als gezaghebbende ouder kan vervullen.

Ook de omgangsregeling wordt afgewezen omdat de vader de vaste afspraken niet nakomt en de omgangsregeling daardoor niet in het belang van het kind is. Het hof bepaalt dat de omgang voortaan in overleg tussen ouders moet plaatsvinden, waarbij de moeder verklaarde de vader niet te zullen verhinderen contact te hebben.

De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het gezag en de omgangsregeling betreft, en het verzoek van de vader wordt afgewezen. De kosten van het geding worden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag en een vaste omgangsregeling af en bepaalt dat de omgang in overleg met de moeder plaatsvindt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.900/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 570991)
beschikking van 10 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.L. van Leer te Amsterdam,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. A.E. Martinez Linnemann te Almere.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Utrecht.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 27 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 26 maart 2025;
- het verweerschrift;
- een brief van de raad van 11 november 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de (eerder op 4 december 2025 geplande) zitting;
- een journaalbericht namens de moeder van 19 januari 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 19 januari 2026 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 21 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de moeder heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

3.De feiten

3.1.
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is in september 2023 geëindigd.
3.2.
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2022.
3.3.
[minderjarige] woont bij de moeder. De vader heeft [minderjarige] erkend.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:
- de vader samen met de moeder belast met het gezag over [minderjarige] ;
- de volgende zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige] verblijft om het weekend van vrijdag uit de opvang tot zondag 15.00 uur bij de
vader, waarbij de vader [minderjarige] uit de opvang ophaalt en hem op zondag bij de moeder
terugbrengt;
- als het lukt met zijn werk zal de vader [minderjarige] ook op woensdag voor een paar uurtjes
ophalen van de opvang. Als het de vader op woensdag niet lukt met werk om [minderjarige] op
te halen van de opvang, dan zal de vader met [minderjarige] op woensdag om 17.15 uur beeldbellen.
4.2.
De moeder komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op het gezag en de zorgregeling. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die ziet op de beslissingen over het gezag en de zorgregeling, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vader tot gezamenlijk gezag en het vaststellen van een zorgregeling af te wijzen, kosten rechtens
.
4.3.
De vader voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht
5.1.
De zaak draagt een internationaal karakter omdat de vader de Surinaamse nationaliteit heeft. Het hof dient daarom ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Het gezag en de zorg-/omgangsregeling zijn kwesties die behoren tot de ouderlijke verantwoordelijkheid en vallen daarmee, nu het verzoekschrift in eerste aanleg van de vader is ingediend na 1 augustus 2022, onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter). Gelet op artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, waar hij overigens ook nu nog woont, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.2.
De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Omdat hiertegen geen grief is gericht, zal ook het hof het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
Gezag
5.3.
Volgens artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.4.
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk gezag hebben over hun kind(eren). Om samen beslissingen te kunnen nemen over zaken die het kind aangaan, is een zekere mate van onderling overleg en betrokkenheid nodig, of is tenminste nodig dat de ouders in staat zijn om afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Het hof is van oordeel dat deze minimaal noodzakelijke basis hier ontbreekt, zodat afwijzing van het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hof legt hierna uit waarom.
5.5.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken komt naar voren dat er nagenoeg geen communicatie plaatsvindt tussen de ouders, de sfeer tussen hen zeer gespannen is en onderling vertrouwen ontbreekt. Als de ouders al contact met elkaar hebben, voeren conflicten en verwijten de boventoon. Daar komt bij dat (structurele) betrokkenheid van de vader in het leven van [minderjarige] ontbreekt. De vader komt de vastgestelde zorgregeling niet na. Hij communiceert daarover niet met de moeder en doet hiermee [minderjarige] ook in grote mate tekort. De vader lijkt hiermee niet te beseffen wat ouderlijke verantwoordelijkheid betekent, in ieder geval neemt hij de verantwoordelijkheid niet. Met de moeder heeft het hof er mede hierdoor geen vertrouwen in dat de vader zijn rol als gezaghebbend ouder kan waarmaken en in staat is beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Voor het hof weegt mee dat de (vanuit het hof ingezette) mediation tussen de ouders zonder resultaat is gebleven.
Nu constructief overleg en samenwerking tussen de vader en de moeder nagenoeg ontbreken, de vader het laat afweten in zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van [minderjarige] en er ook geen zicht is op concrete hulpverlening om dit te verbeteren, is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt.
5.6.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet in het belang is van [minderjarige] wanneer de ouders samen het gezag hebben en bovendien het risico bestaat dat hij klem komt te zitten tussen zijn ouders. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag over [minderjarige] te belasten afwijzen.
Omgangsregeling
5.7.
Nu er geen gezamenlijk gezag is, is artikel 1:377a BW van toepassing op het verzoek betreffende de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] .
5.8.
Op grond van artikel 1:377a BW heeft een kind recht op omgang met onder meer zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op verzoek van (een van) de ouders stelt de rechter een regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht dan wel ontzegt hij het recht op omgang.
5.9.
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader sinds de bestreden beschikking geen uitvoering heeft gegeven aan de (conform de afspraken tussen de ouders) vastgestelde omgangsregeling. De vader heeft [minderjarige] op de afgesproken dagen niet opgehaald van de opvang en is hierover niet in overleg getreden met de moeder. Ook de videobelmomenten die in de plaats zouden komen van de omgang als het de vader in verband met zijn werk op woensdag niet zou lukken om [minderjarige] uit de opvang op te halen, hebben niet plaatsgevonden. Volgens de moeder verdwijnt de vader soms wekenlang van de radar en duikt hij vervolgens weer op. De moeder vindt het belangrijk dat de vader en [minderjarige] contact hebben en is niet tegen omgang, maar zij beschouwt het niet langer als haar taak om de vader achterna te zitten om zijn afspraken na te komen. Dit levert haar bovendien veel stress op en betekent veel onzekerheid en teleurstelling voor [minderjarige] , die door de moeder op de omgang met de vader wordt voorbereid. De moeder wil daarom graag geen vaste omgangsregeling meer, maar een regeling waarbij de vader het vooraf laat weten als hij [minderjarige] wil zien. Dit verliep in het verleden ook goed en zij is bereid hieraan haar medewerking te verlenen, aldus de moeder.
5.10.
Het hof overweegt dat [minderjarige] gebaat is bij voorspelbaar contact met zijn vader. Daar hoort bij dat de vader zijn verantwoordelijkheid neemt om de afgesproken omgangsmomenten na te komen en vooraf en tijdig in overleg treedt met de moeder als dat (onverhoopt) niet lukt. Een vaste regeling is voor de vader echter geen haalbare kaart gebleken. De verwachtingen die met de huidige omgangsregeling bij [minderjarige] (en de moeder) worden gewekt kan de vader klaarblijkelijk niet waarmaken zodat die regeling, naar het oordeel van het hof, niet in het belang is van [minderjarige] . Een regeling waarbij de omgang (per keer) op afspraak plaatsvindt geeft meer rust. Het hof gaat er daarbij van uit dat de moeder, zoals zij ter zitting heeft verklaard, de vader niet zal verhinderen om [minderjarige] te zien als hij dat wil.
5.11.
Het hof zal -gelet op het voorgaande- de bestreden beschikking ten aanzien van de vastgestelde omgangsregeling vernietigen. Het hof zal het verzoek van de vader om een (vaste) omgangsregeling vast te leggen afwijzen en bepalen dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] in overleg met de moeder dient plaats te vinden.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van
27 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de vader om te bepalen dat de moeder en de vader gezamenlijk zullen worden belast met het gezag over [minderjarige] af;
wijst het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen af en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de ouders in onderling overleg de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] afstemmen;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, L. van Dijk en F. Menso, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.