ECLI:NL:GHARL:2026:739

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.356.499/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep omgangsregeling en informatieregeling minderjarige met ontwikkelingsachterstand

De vader is in eerste aanleg afgewezen in zijn verzoek tot een omgangsregeling met zijn minderjarige kind, over wie de moeder het gezag uitoefent. Tevens is een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder periodiek informatie en foto's aan de vader verstrekt.

In hoger beroep verzoekt de vader vernietiging van deze beschikking en vaststelling van een omgangsregeling, beginnend met statusvoorlichting en opbouwend naar regelmatige omgang na zijn invrijheidstelling. De moeder verzoekt afwijzing of niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Het hof oordeelt dat het verzoek om een dwangsom bij de informatieregeling ondanks een procesfout toch in behandeling wordt genomen. Het belang van het kind staat centraal, waarbij het hof erkent dat het kind een ontwikkelingsachterstand heeft en momenteel orthopedagogisch wordt begeleid. De vader is sinds oktober 2025 vrij en stabiel.

Het hof acht het in het belang van het kind dat de statusvoorlichting wordt hervat en beveelt de moeder aan dit in samenwerking met het Centrum voor Jeugd en Gezin te doen. Voor de omgangsregeling acht het hof zich onvoldoende voorgelicht en gelast een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming om advies uit te brengen over de omgang en eventuele belemmeringen.

De zaak wordt aangehouden tot het rapport van de raad en verdere schriftelijke reacties van partijen, waarna het hof zal beslissen over de omgangsregeling.

Uitkomst: Het hof gelast nader onderzoek door de raad voor de kinderbescherming en houdt verdere beslissing over omgang aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.499/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 302019)
beschikking van 10 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. T.H. Westerhof-Dijkstra te Zwolle,
en
[verweerster](de moeder),
wonende op een geheim te houden adres,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers te Zwolle.
Als belanghebbende respectievelijk als informant is aangemerkt:
mr. J.E. Bruning,
kantoorhoudende te Zwolle,
verder te noemen: de bijzondere curator.
[belanghebbende] ( [belanghebbende] )wonende op een geheim te houden adres.
In zijn toetsende en/of adviserende rol is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
regio Overijssel, locatie Zwolle.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 10 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s) van de vader, ingekomen op 27 juni 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 23 juli 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 13 augustus 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 22 december 2025 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 13 januari 2026 plaatsgevonden.
Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat die werd vergezeld door een kantoorgenoot;
- de bijzondere curator;
- [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ), die in deze procedure door het hof als informant is aangemerkt.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats1] , over wie de moeder alleen het gezag uitoefent. Bij de bestreden beschikking is de erkenning van [minderjarige] door [belanghebbende] vernietigd en is aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] [in] 2025 erkend.
3.2
De vader is de procedure op 4 september 2023 begonnen met een verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning, wijziging achternaam, een omgangsregeling en gezamenlijk gezag. In hoger beroep gaat het nog over een informatieregeling en de omgangsregeling.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen afgewezen en is, voor zover hier van belang, beslist:
- dat de moeder één keer per vier maanden een e-mail of brief zal sturen aan de vader over:
  • de gezondheid van [minderjarige] ,
  • hoe het met hem gaat op school,
  • zijn hobby's;
- dat de moeder twee keer per jaar een recente foto van [minderjarige] aan de vader zal sturen;
- dat de beslissing ten aanzien van de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad is.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt, voor zover daarbij zijn verzoek ten aanzien van de omgang met [minderjarige] is afgewezen, en opnieuw beschikkende een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen, beginnend met een statusvoorlichting onder begeleiding van een professionele derde en vervolgens een omgangsregeling opbouwend gedurende één uur in de week naar een halve dag in de week en na drie maanden één dag in de week nader vast te stellen na invrijheidsstelling van de vader, althans een regeling die het hof juist acht.
4.3
De moeder voert verweer en zij verzoekt om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissingProcessueel

5.1
De vader heeft in (het lichaam van) het beroepschrift verzocht om over de informatieregeling te bepalen dat deze de eerste van de betreffende maand moet worden gegeven en aan de informatieregeling en het geven van statusvoorlichting aan [minderjarige] een dwangsom te verbinden van € 1.000,- per keer dat de moeder daaraan niet meewerkt, met een maximum van € 10.000,-. Dit verzoek is niet opgenomen in het petitum van het beroepschrift. De advocaat van de vader heeft daarover ter zitting verklaard dat dit per ongeluk is weggevallen in het petitum van het beroepschrift, maar dat het petitum moet worden gelezen in samenhang met het lichaam van het beroepschrift, in die zin dat ook de hiervoor omschreven dwangsom wordt verzocht. De moeder heeft hier ter zitting bezwaar tegen gemaakt. Zij vindt dat de vader het verzoek in het petitum had moeten opnemen of het verzoek in ieder geval schriftelijk had moeten doen. Nu hij dat heeft nagelaten, kan niet door het hof op het verzoek worden beslist.
5.2
Hoewel de vader heeft nagelaten zijn hiervoor genoemde verzoek (welk verzoek op grond van artikel 611a lid 2 Rv ook voor het eerst in hoger beroep mag worden gedaan) op te nemen in het petitum van zijn beroepschrift, is het hof van oordeel dat het lichaam van het beroepschrift en het petitum in onderling verband en samenhang moeten worden beschouwd en dat daarom het verzoek om aan de informatieregeling en het geven van statusvoorlichting aan [minderjarige] een dwangsom te verbinden, zoals vermeld en toegelicht in het lichaam van het beroepschrift, in het petitum van het beroepschrift dient te worden gelezen. De moeder heeft overigens in het verweerschrift inhoudelijk verweer gevoerd. Het hof is daarom van oordeel dat het verzoek van de vader voor de moeder voldoende duidelijk is geweest, zodat de moeder niet in haar verdedigingsbelang is geschaad en de eisen van een goede procesorde niet zijn geschonden.
Inhoudelijk5.3 Tussen partijen is in geschil of het in het belang van [minderjarige] is dat er omgang komt met de vader en in hoeverre het nodig is dat statusvoorlichting daaraan voorafgaat. De moeder stelt dat een omgangsregeling met de vader niet haalbaar is zolang [minderjarige] nog niet in staat is de statusvoorlichting te begrijpen of te verwerken. De vader stelt daarentegen dat in het belang van de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] niet langer kan worden gewacht met (het toewerken naar) een omgangsregeling. De bijzondere curator vindt dat de vader wel in beeld moet zijn voor [minderjarige] , maar ziet op dit moment nog geen ruimte voor het opbouwen van een omgangsregeling, omdat het risico op stagnatie van de positieve ontwikkeling van [minderjarige] volgens haar te groot is.
5.4
[minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand op diverse gebieden en laat ontregeld gedrag zien. Hij gaat sinds oktober 2025 vijf dagen per week naar orthopedagogisch dagcentrum [naam] in [plaats2] . Dit is een centrum dat kinderen begeleid met een verstandelijke beperking, een ontwikkelingsachterstand of een meervoudige beperking. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het hof gebleken dat er vooruitgang zit in de ontwikkeling van [minderjarige] . Op [naam] is aandacht voor zijn problematiek, hij ontwikkelt zich daar positief en heeft goed contact met zijn nieuwe leerkrachten. De moeder heeft daarnaast verklaard dat [minderjarige] nu beter in staat is uit te drukken wat hij wel of niet wil en dat zij in de thuissituatie goed worden ondersteund door het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna: CJG).
5.5
Daarnaast is gebleken dat de vader sinds 7 oktober 2025 niet meer gedetineerd is en dat hij druk bezig is om structuur en stabiliteit in zijn leven te brengen. Hij woont samen met zijn nieuwe partner en is werkzaam als ZZP’er.
Statusvoorlichting
5.6
Het hof is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de statusvoorlichting aan hem weer wordt hervat. Aanvankelijk is gestart met een vorm van statusvoorlichting doordat de vader tekeningen maakte voor [minderjarige] . De partner van de moeder liet deze dan aan [minderjarige] zien. De moeder stelt hierover dat gebleken is dat [minderjarige] geen besef heeft van wie deze tekeningen afkomstig zijn en dat ze soms eerder negatief werkten dan helpend waren voor haar en [minderjarige] . Ze zijn daarom gestopt met het laten zien van de tekeningen aan [minderjarige] . Daarmee is de statusvoorlichting gestaakt.
Dat de statusvoorlichting is gestopt komt niet omdat [minderjarige] dat niet aankon, zo heeft de bijzondere curator ter zitting verklaard, maar had te maken met wat de moeder en haar partner aankonden. Ter zitting is gebleken dat de moeder inmiddels traumatherapie krijgt en zij heeft ter zitting op vragen van het hof geantwoord dat zij daardoor weer meer ruimte heeft om statusvoorlichting te geven. Het hof is van oordeel dat de moeder zich dient te wenden tot het CJG om de statusvoorlichting te hervatten. Het CJG kan - zo heeft de bijzondere curator ter zitting toegelicht - een plan van aanpak maken dat passend is bij de mogelijkheden van [minderjarige] en dat rekening houdt met zijn beperkingen. Het hof acht dat in [minderjarige] belang.
Omgang
5.7
Het hof is van oordeel dat het uitgangspunt moet zijn dat er omgang komt tussen de vader en [minderjarige] , ook als het zo zou zijn dat [minderjarige] gelet op zijn ontwikkelingsachterstand nooit in staat zal zijn de statusvoorlichting te begrijpen. Het hof acht zich echter onvoldoende voorgelicht om op dit moment te beslissen hoe die omgangsregeling eruit moet komen te zien. De raad heeft ter zitting in eerste aanleg aangeboden om hier onderzoek naar te doen en het hof zal de raad nu verzoeken dat te doen. Het hof wenst van de raad advies over de wijze waarop een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] kan worden vormgegeven, welke belemmeringen daarbij mogelijk spelen en hoe die weggenomen kunnen worden.
5.8
Het hof gaat ervan uit dat de moeder de informatieregeling zoals door de rechtbank is opgelegd voortzet en daar, zoals ter zitting besproken, meer inhoud aan geeft. Verdere beslissingen hierover worden aangehouden.

6.De beslissing

alvorens verder te beslissen:
verzoekt de raad een onderzoek in te stellen als hiervoor onder 5.7 omschreven en daarover uiterlijk op
13 juli 2026te rapporteren;
bepaalt dat de ouders de gelegenheid krijgen binnen twee weken nadat het hof het raadsrapport aan hen heeft verzonden hun schriftelijke reactie daarop te geven;
bepaalt dat de zaak daarna in beginsel op de stukken zal worden afgedaan, tenzij het hof na gemotiveerd verzoek van (een van de) ouders alsnog een zitting gelast, dan wel het hof ambtshalve aanleiding ziet om alsnog een zitting te gelasten;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Leentjes, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. M.A.F. Veenstra, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.