ECLI:NL:GHARL:2026:766

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.360.053/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling minderjarige wegens emotionele onveiligheid en gezinsdynamiek

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland stelde op 9 juli 2025 een minderjarige onder toezicht vanwege ernstige zorgen over haar emotionele veiligheid en opvoedingssituatie. De ouders gingen in hoger beroep tegen deze beslissing en verzochten het hof om de ondertoezichtstelling te beëindigen of te verkorten.

Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder het verzoekschrift, brieven van de raad en de gecertificeerde instelling, en heeft de minderjarige gehoord. Tijdens de zitting op 13 januari 2026 waren de ouders, hun advocaat, vertegenwoordigers van de raad en de gecertificeerde instelling aanwezig.

Het hof oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige door een onveilige thuissituatie, mede veroorzaakt door een incident waarbij een ander kind mishandeld werd en de complexe gezinsdynamiek die daarop volgde. De ouders tonen onvoldoende pedagogische vaardigheden en medewerking aan hulpverlening, vooral de vader staat niet open voor hulp.

Het hof acht professionele hulpverlening noodzakelijk en verwacht niet dat vrijwillige hulp voldoende effect zal hebben. De moeder heeft wel stappen gezet richting systeemtherapie. De termijn van de ondertoezichtstelling wordt daarom niet verkort. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt bekrachtigd en gehandhaafd tot 9 juli 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.053/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 152516)
beschikking van 10 februari 2026
over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1]
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
[verzoekster](de moeder),
die wonen in [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Groningen,
en (als overige belanghebbende)
de gecertificeerde instelling,
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen(de GI),
locatie Assen.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft [minderjarige1] bij beschikking van 9 juli 2025 onder toezicht gesteld tot 9 juli 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd en hebben twee kinderen, [minderjarige2] en [minderjarige1] . [minderjarige2] is [in] 2008 geboren en [minderjarige1] is [in] 2012 geboren.
2.2.
De ouders oefenen samen het gezag over de kinderen uit.
2.3.
Bij beschikking van 16 april 2025 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden en zijn de kinderen met spoed uit huis geplaatst.
2.4.
[minderjarige2] woont nog steeds op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. [minderjarige1] woont sinds 16 juni 2025 met veiligheidsafspraken bij de moeder.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft de kinderrechter op 26 juni 2025 verzocht, voor zover van belang, [minderjarige1] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen en [minderjarige1] onder toezicht gesteld tot 9 juli 2026.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 9 juli 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de kinderrechter tot ondertoezichtstelling van [minderjarige1] . Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de kinderrechter helemaal ongedaan maakt en als dat niet gebeurt dat het hof de duur van de ondertoezichtstelling verkort.
4.2.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 1 oktober 2025;
  • een brief van de raad van 3 november 2025, waarin de raad aangeeft dat ter zitting mondeling verweer zal worden gevoerd;
  • een brief van de GI van 4 november 2025 met bijlage(n);
  • een journaalbericht namens de ouders van 7 januari 2026 met bijlage(n).
4.4.
[minderjarige1] heeft op 12 januari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de ondertoezichtstelling.
4.5.
De zitting bij het hof was op 13 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de ouders met hun advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de raad;
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging weer helemaal zelf op zich kunnen nemen binnen een aanvaardbare termijn. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.2.
Op grond van de stukken en dat wat tijdens de mondeling behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] nog steeds aanwezig zijn. Daartoe overweegt het hof het volgende.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat begin maart 2025 een incident in de thuissituatie bij de ouders is geweest, waarbij [minderjarige2] door de vader (en mogelijk ook door de moeder) zou zijn mishandeld nadat zij te laat en onder invloed terugkwam van een feestje. [minderjarige2] heeft toen uitgesproken dat zij vanaf haar zevende jaar is mishandeld door de vader en dat de moeder daarvan op de hoogte was. Zij heeft op een later moment aangifte gedaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag/misbruik door de vader. [minderjarige2] en [minderjarige1] zijn als gevolg van dit voorval kort daarop uit huis geplaatst. De vader heeft korte tijd vastgezeten. Hij is inmiddels in afwachting van het strafproces weer vrij en woont elders. [minderjarige2] woont nog altijd in een woongroep en [minderjarige1] woont met veiligheidsafspraken weer thuis bij de moeder. De ouders ontkennen de beschuldigingen van [minderjarige2] en vinden dat onderzocht moet worden of bij haar sprake is van een psychische stoornis.
5.4.
Het hof is van oordeel dat sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van
[minderjarige1] , omdat er grote zorg is of zij zich binnen de thuissituatie voldoende veilig kan en mag
voelen en uiten. In de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing van de kinderen in maart
2025 waren er in dit verband al zorgen over het grote aantal camera’s dat de ouders hadden
opgehangen in hun woning, die na het incident begin maart zelfs in de slaapkamers van de
kinderen werden opgehangen. De ouders hebben ter zitting toegelicht wat hun
beweegredenen daarvoor zijn geweest, maar het hof is met de raad van oordeel dat daarmee
toen al een emotioneel onveilige situatie voor de kinderen is gecreëerd.
De gebeurtenissen die vanaf maart 2025 hebben plaatsgevonden hebben gezorgd voor nog meer onveiligheid en spanningen binnen de gezinssituatie. De vader heeft naar aanleiding van de beschuldigingen die [minderjarige2] heeft geuit rigoureuze beslissingen
genomen over [minderjarige2] . Hij zegt dat [minderjarige2] zijn dochter niet meer is, hij heeft haar onterfd en hij
wil niets meer met haar te maken hebben. Ter zitting heeft de vader gezegd dat hij [minderjarige2] niet
mist en dat hij het veel erger vindt dat zijn bedrijf als gevolg van de gebeurtenissen slecht
draait. De moeder staat daar anders in. Zij zegt dat zij nog steeds liefde en affectie voelt voor
[minderjarige2] en dat zij [minderjarige2] mist. De ouders respecteren volgens de moeder elkaars standpunt
hierin en de gebeurtenissen hebben geen druk gelegd op hun relatie.
Feit is echter dat [minderjarige1] op dit moment haar vader en haar zus niet meer in haar leven heeft.
Dat is voor haar een ingrijpende verandering. Zij lijkt daarbij weinig ruimte te hebben om de
emoties bij alles wat er speelt te verwerken. In dat verband speelt ook dat [minderjarige1] recent heeft
gehoord dat de vader niet haar biologische vader is en dat de vader er op advies van zijn
strafadvocaat voor kiest om op dit moment geen contact met [minderjarige1] te hebben. Dit terwijl
[minderjarige1] in het kindgesprek naar voren heeft gebracht dat zij de vader erg mist nu hij niet meer
thuis woont en hem graag wil zien.
Het hof is met de raad van oordeel dat de complexe gezinsdynamiek die is ontstaan veel
onzekerheid en onveiligheid voor [minderjarige1] met zich brengt. [minderjarige1] kan het gevoel krijgen dat
zij moet uitkijken om niet ‘buiten de lijntjes te kleuren’, omdat zij ziet dat dit vergaande
gevolgen kan hebben, zoals bij [minderjarige2] het geval is geweest. Het lijkt er volgens de raad op dat
[minderjarige1] er daarom ook voor kiest om hetzelfde standpunt in te nemen als haar vader, namelijk
dat zij geen contact meer wil met [minderjarige2] . Alles in aanmerking nemend is er naar het oordeel
van het hof voor [minderjarige1] op dit moment onvoldoende ruimte voor het ontwikkelen van haar
eigen identiteit en het tonen en verwerken van haar emoties, zodat sprake is van een ernstige
bedreiging in haar sociaal-emotionele ontwikkeling.
5.5.
Het hof is van oordeel dat de ouders op dit moment niet de pedagogische
vaardigheden laten zien die nodig zijn om hier op een juiste manier mee om te gaan. Zij zien
onvoldoende in welke zorgen er bestaan rondom de ontwikkeling van [minderjarige1] en
hulpverlening komt niet of nauwelijks tot stand. De moeder geeft hierbij aan wel bereid te
zijn om mee te werken, maar met de vader verloopt de samenwerking erg stroef. Bij de
behandeling van de zaak ter zitting liet de vader sterke emoties en verbale agressie zien. Het
is het hof duidelijk geworden dat de vader niet open staat voor hulpverlening. Het hof acht
hierdoor hulpverlening in een vrijwillig kader niet mogelijk.
5.6.
Het hof acht het van belang dat de GI betrokken blijft zodat kan worden onderzocht
wat er nodig is voor [minderjarige1] om een stabiele opvoedingsomgeving te creëren en zodat gepaste hulpverlening ingezet kan worden. Het hof acht professionele en deskundige hulp voor de ouders en [minderjarige1] dan ook geboden en verwacht gelet op wat hiervoor is overwogen niet dat hulpverlening in een vrijwillig kader op dit moment voldoende effect zal hebben. Het hof acht het wel positief dat de moeder (volgens de GI vermoedelijk onder invloed van de ondertoezichtstelling) stappen heeft gezet om systeemtherapie op te starten bij Viatrox, waarvoor op 23 januari 2026 een intakegesprek stond gepland. Dat maakt ook dat het hof van oordeel is dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders, of in elk geval de moeder, in staat zijn om binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige1] weer te dragen.
Aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is daarom voldaan. Voor het verkorten van de termijn van de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] , ziet het hof geen aanleiding. De hulpverlening bij Viatrox is nog niet gestart. Het is niet te verwachten dat de doelen van de ondertoezichtstelling voor het einde van de termijn zijn behaald.

6.De slotsom

6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking,
voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.
6.2.
De beslissing in deze uitspraak kan ook worden uitgevoerd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

7.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 juli 2025 over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] .
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. E. Leentjes, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.