ECLI:NL:GHARL:2026:771

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.344.547
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:613 BWArt. 19 PWArt. 25 pensioenreglement Bpf BouwArt. 16 PR NN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt onrechtmatigheid beëindiging indexeringsregeling pensioen door werkgever

De pensioengerechtigden, voormalig werknemers van Bouwbedrijf Oskam, stelden dat Oskam onrechtmatig handelde door de indexeringsregeling van hun bij Nationale Nederlanden opgebouwde pensioenaanspraken stop te zetten. De kantonrechter kende hen gedeeltelijk gelijk, maar beide partijen gingen in hoger beroep.

Het hof stelde vast dat de indexeringsregeling een voorwaardelijk karakter heeft en dat het eenzijdig wijzigingsbeding in de pensioenregeling van toepassing is. Het toetsingskader van artikel 19 Pensioenwet Pro en artikel 7:613 BW Pro is van toepassing, waardoor Oskam alleen bij zwaarwegend belang de regeling zonder instemming mocht wijzigen.

Oskam voerde financiële noodzaak aan, maar faalde in het leveren van voldoende bewijs daarvoor. Het hof oordeelde dat de beëindiging van de indexeringsregeling onrechtmatig was en veroordeelde Oskam tot nakoming, inclusief betaling van de verschuldigde indexaties en wettelijke rente. Tevens werden proceskosten toegewezen aan de pensioengerechtigden.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat Oskam onrechtmatig de indexeringsregeling heeft beëindigd en veroordeelt tot nakoming en betaling van achterstallige indexaties met rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zaaknummer gerechtshof 200.344.547
zaaknummer rechtbank Utrecht, locatie Utrecht 10443786
arrest van 10 februari 2026
in de zaak van
Bouwbedrijf Oskam Bunnik B.V.
die is gevestigd in Bunnik
hierna: Bouwbedrijf Oskam
advocaat: mr. B.F.M. Evers
tegen

1.[geïntimeerde1]

die woont in [woonplaats1]

2. [geïntimeerde2]

die woont in [woonplaats2]

3. [geïntimeerde3]

die woont in [woonplaats3]

4. [geïntimeerde4]

die woont in [woonplaats4]

5. [geïntimeerde5]

die woont in [woonplaats5]
hierna: samen ‘de pensioengerechtigden’
advocaat: mr. A.A.M. Broos

1.Het verloop van de procedure bij het hof

1.1.
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• het exploot van oproeping tegen een vroegere roldatum
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en akte van wijziging van eis
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep tevens antwoordakte eiswijziging
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die is gehouden op 8 oktober 2028.
1.2.
Op de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden tot 11 november 2025 voor het voeren van overleg en is bepaald dat arrest zal worden gewezen op 23 december 2025 als partijen voor 11 november 2025 geen overeenstemming bereiken. Partijen hebben tussentijds bericht dat geen overeenstemming is bereikt. De uitspraak is vervolgens vertraagd, omdat namens Oskam een wrakingsverzoek tegen één van de leden van de zittingscombinatie is ingediend. Bij uitspraak van 28 januari 2026 is Oskam niet-ontvankelijk verklaard in dat verzoek, waarna de zaak opnieuw voor arrest is gezet en de datum van de uitspraak is bepaald op heden.

2.De kern van de zaak

2.1
De pensioengerechtigden zijn in dienst geweest bij Oskam en zijn inmiddels met pensioen. Het gaat in deze zaak om de vraag of Oskam heeft gehandeld in strijd met de pensioenovereenkomst door de indexeringsregeling die daarvan deel uitmaakte stop te zetten.
2.2
De pensioengerechtigden hebben bij de kantonrechter verklaringen voor recht gevorderd, in de kern inhoudende dat Oskam is tekortgeschoten in de nakoming van de pensioenovereenkomst en nakoming daarvan, dan wel schadevergoeding.
2.3
De kantonrechter heeft de vorderingen gedeeltelijk toegewezen. Beide partijen zijn het daarmee niet eens. De bedoeling van het hoger beroep van Oskam is dat de vorderingen alle worden afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van de pensioengerechtigden is dat hun (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen alsnog worden toegewezen.

3.De beoordeling in hoger beroep

de beslissing van het hof
3.1
Het hof wijst de vorderingen van de pensioengerechtigden grotendeels toe. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
de achtergrond van de zaak
3.2
De activiteiten van Oskam vallen onder de werkingssfeeromschrijving van de verplichtstellingsbeschikking van het Bedrijfspensioenfonds (Bpf) Bouw. Van 1 juli 1982 tot 1 januari 2007 was Oskam gedispenseerd van deelname aan de pensioenregeling van Bpf Bouw. De werknemers van Oskam , waaronder de pensioengerechtigden, hebben gedurende die periode pensioen opgebouwd in een pensioenregeling van Oskam bij Nationale Nederlanden (NN). Vanaf 1 januari 2007 is de dispensatie geëindigd en bouwden de werknemers van Oskam pensioen op bij Bpf Bouw. De bij NN opgebouwde pensioenaanspraken zijn achtergebleven bij NN. De indexering van deze pensioenaanspraken heeft Oskam vanaf 1 januari 2007 ondergebracht bij Bpf Bouw door middel van een uitvoeringsovereenkomst met de naam ‘CBSI-overeenkomst’.
3.3
Het Pensioenreglement van Oskam dat sinds 1 januari 2006 van toepassing is (PR NN) houdt de pensioenafspraken in die vanaf dat moment gelden tussen de pensioengerechtigden en Oskam . Dit reglement bevat in artikel 16 een Pro bepaling over indexering van de pensioenen. Het hof noemt de uit het PR NN voortvloeiende afspraken hierna ‘de pensioenregeling’.
3.4
Oskam heeft de bij NN opgebouwde pensioenaanspraken van de pensioengerechtigden (NN-pensioenaanspraken) tot 1 januari 2022 jaarlijks geïndexeerd met de percentages waarmee Bpf Bouw de bij haar opgebouwde pensioenen heeft geïndexeerd. Oskam heeft de CBSI-overeenkomst met Bpf Bouw opgezegd per 1 januari 2022. Zij heeft de pensioengerechtigden dit bericht bij brief van 12 september 2022 en daarin meegedeeld dat vanaf er 1 januari 2022 geen verhoging van de pensioenuitkeringen meer zal plaatsvinden. Daarmee heeft zij de indexeringsregeling die onderdeel uitmaakt van de pensioenregeling beëindigd. De pensioengerechtigden hebben daartegen bezwaar gemaakt. De bezwaren van Oskam tegen de feitenvaststelling door de rechtbank verwerpt het hof, omdat de rechter die feiten kan vaststellen die voor de beslissing van belang zijn. Voor zover in het bezwaar van Oskam moet worden gelezen dat onvoldoende acht is geslagen op de inhoud van de pensioenregelingen, komt het hof daar later op terug.
de grondslag van de vorderingen en de verweren
3.5
De pensioengerechtigden leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Op grond van het PR NN gold een indexeringsregeling. Oskam heeft die eenzijdig beëindigd en was daartoe niet gerechtigd. Daarom moet de indexeringsregeling alsnog worden nagekomen. Oskam voert hiertegen verschillende verweren. De volgende kwesties houden partijen verdeeld:
(i) is de indexeringsregeling voorwaardelijk of onvoorwaardelijk?
(ii) is sprake van een eenzijdig wijzigingsbeding?
(iii) welke toetsingsmaatstaf geldt voor de beoordeling van de wijziging?
(iv) is de beëindiging van de indexeringsregeling toegestaan?
(v) welke vorderingen zijn toewijsbaar?
3.6
Het hof zal deze onderwerpen hierna behandelen.
(i) is de indexeringsregeling voorwaardelijk of onvoorwaardelijk?
3.7
De indexeringsregeling is neergelegd in artikel 16 van Pro het PR NN. Dit artikel luidt:

De pensioenen van de gepensioneerden, alsmede de pensioenen waarop de gewezen deelnemer bij beëindiging van het deelnemerschap recht heeft behouden, zullen worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 25 van Pro het pensioenreglement van het Bpf”.
Artikel 25 van Pro het pensioenreglement van Bpf Bouw uit 2006 luidt:

Indexering van ingegane pensioenen en premievrije aanspraken
1. Met inachtneming van de hierna volgende bepalingen worden met ingang van 1 januari 1995 ingegane pensioenen en premievrije aanspraken (…) jaarlijks geïndexeerd indien en voor zover de financiële middelen als bedoeld in lid 2 van dit artikel dat naar het oordeel van het bestuur toelaten (…)2. De indexeringen vinden jaarlijks plaats op en met ingang van 1 januari (…)”.
3.8
Partijen zijn het er niet over eens of de indexeringsregeling van artikel 16 een Pro voorwaardelijk (standpunt Oskam ) of een onvoorwaardelijk (standpunt pensioengerechtigden) karakter heeft. Het hof overweegt als volgt. Hoewel het hier gaat om de uitleg van een regeling in de verhouding tussen werkgever en werknemer, waarbij in beginsel de Haviltex-maatstaf geldt, hecht het hof bij de uitleg daarvan grote belang aan de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de indexeringsregeling, waarbij ook acht geslagen moet worden op de aard en strekking van de desbetreffende bepalingen en op de aannemelijkheid en redelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de mogelijke interpretaties zouden leiden. Reden daarvoor is dat gesteld noch gebleken is dat de pensioengerechtigden en Oskam zich ten opzichte van elkaar hebben uitgelaten over de tekst van de regeling, dat de gepensioneerden niet bij de totstandkoming van de regeling betrokken zijn geweest en dat deze ook bedoeld is om toegepast te worden in andere overeenkomsten dan die tussen de gepensioneerden en Oskam . Het hof oordeelt dat het hier gaat om een voorwaardelijke indexeringsregeling. In artikel 16 wordt Pro weliswaar bepaald dat de pensioenen “
zullen”worden aangepast, maar er staat ook dat die aanpassing geschiedt “
overeenkomstig” de bepalingen van artikel 25 van Pro het pensioenreglement Bpf Bouw. Het woord “
overeenkomstig” duidt erop dat de inhoud van de indexeringsregeling wordt bepaald door laatstgenoemd artikel. Dat artikel 25 een Pro voorwaardelijke indexeringsregeling inhoudt is niet in geschil. Daarom heeft ook de indexeringsregeling van artikel 16 een Pro voorwaardelijk karakter. De indexeringsregeling is ook steeds op deze wijze uitgevoerd.
(ii) is sprake van een eenzijdig wijzigingsbeding?
3.9
Artikel 17 lid 2 PR Pro NN bevat een wijzigingsbeding. Dit artikel houdt in dat de werkgever zich het recht voorbehoudt de pensioenregeling te verlagen, beperken of beëindigen, indien de werkgever na intrekking van een verleende dispensatie verplicht wordt zich aan te sluiten bij het Bpf en bepaalt verder: “
Voor de periode dat de werkgever dispensatie heeft genoten, mag geen beperking of vermindering plaatsvinden”.
Partijen zijn het er niet over eens of dit beding (nog) werking had in 2022, toen de indexeringsregeling is stopgezet door Oskam .
3.1
Anders dan de pensioengerechtigden aanvoeren, en ook de kantonrechter heeft aangenomen, duidt de tekst van dit artikellid er niet op dat het beding (uitsluitend) is bedoeld voor het moment dat de verleende dispensatie wordt ingetrokken en Oskam zich weer bij Bpf Bouw moet aansluiten. De redactie van dit artikel duidt er juist op dat er twee periodes worden onderscheiden: de periode van dispensatie en de periode daarna. De periode van dispensatie is geregeld in de tweede zin van het artikel: gedurende Pro die periode mag er geen beperking of vermindering van de pensioenregeling plaatsvinden. Voor de periode na het eindigen van de dispensatie geldt de eerste zin, waarin is bepaald dat de werkgever zich het recht voorbehoudt de pensioenregeling te verlagen, beperken of beëindigen. De eerste zin kent geen beperking in tijd. Met name volgt uit de tekst van het artikel niet dat de werkgever slechts op het moment dat de dispensatieregeling eindigt een dergelijke bevoegdheid toekomt. Dit betekent dat het beding ook in 2022 nog van kracht was.
(iii) welke toetsingsmaatstaf geldt voor de beoordeling van de wijziging?
3.11
Er is dus sprake van een eenzijdig wijzigingsbeding. Partijen zijn het niet eens over het toetsingskader dat geldt voor de beoordeling van vraag of Oskam zich op dit wijzigingsbeding kan beroepen. Volgens Oskam zijn de artikelen 19 van de Pensioenwet (PW) en 7:613 BW (dat dezelfde maatstaf inhoudt) niet van toepassing in de rechtsverhouding tussen een voormalig werkgever en gepensioneerden. Dat blijkt uit het ECN/OMEN-arrest [1] en uit door Oskam aangehaalde passages van de wetsgeschiedenis van (onder meer) de Wet Toekomstige Pensioenen (WTP). Daarom moet het uitgangspunt zijn dat Oskam zich op het wijzigingsbeding mag beroepen tenzij zij daarmee misbruik van haar recht zou maken of dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De pensioengerechtigden menen dat het toetsingskader van artikel 19 PW Pro wel moet worden toegepast.
3.12
Het hof oordeelt dat het toetsingskader van artikel 19 PW Pro/artikel 7:613 BW Pro moet worden toegepast. Na het einde van de arbeidsovereenkomst is de rechtsverhouding tussen de werkgever en oud-werknemer/pensioengerechtigde niet uitgewerkt, maar wordt die voortgezet in de pensioenovereenkomst. Oskam kan worden toegegeven dat na het door haar genoemde arrest ECN/OMEN de jurisprudentie en literatuur niet eenduidig waren over de vraag of artikel 19 PW Pro geldt in de verhouding tussen de oud werkgever en gepensioneerden. Na de invoering van de WTP per 1 juli 2023 bevat artikel 19 PW Pro een tweede lid, waarin met zoveel woorden is bepaald dat de maatstaf van lid 1 (die overeenkomt met artikel 19 PW Pro oud) ook van toepassing is ten aanzien wijzigingen van de pensioenovereenkomst voor (onder meer) pensioengerechtigden. In de Memorie van Toelichting bij dit artikellid staat dat deze regeling een “
codificering” betreft van bestaande jurisprudentie en ook dat met dit artikellid wordt “
verduidelijkt” dat de wijzigingsbevoegdheid ten aanzien van pensioengerechtigden aan dezelfde voorwaarden is gebonden als de eenzijdige wijziging voor werknemers [2] . De aangehaalde woorden duiden erop dat sprake is van bestendiging van al voor de inwerkingtreding van de WTP geldende rechtstoestand en dat niet is beoogd een nieuwe regeling in het leven te roepen. De door Oskam aangehaalde passages uit de Memorie van Toelichting werpen hier geen ander licht op, nu daarin niet valt te lezen dat pas na de invoering van de WTP artikel 19 voor Pro pensioengerechtigden geldt. Bovendien vindt het hof het niet aannemelijk en wenselijk dat pensioengerechtigden minder rechtsbescherming zouden genieten ten aanzien van (het behoud van) hun pensioen dan werknemers die nog in dienst zijn van de werkgever. Ten tijde van de door Oskam doorgevoerde eenzijdige wijziging was de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde4] nog niet geëindigd. Gezien wat hiervoor is overwogen, levert dat ten aanzien van hem geen ander inhoudelijke toetsing op.
(iv) is de beëindiging van de indexeringsregeling toegestaan?
3.13
Het toetsingskader van artikel 19 PW Pro brengt mee dat Oskam de pensioenovereenkomst alleen zonder instemming van de pensioengerechtigden kan wijzigen als sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang dat het belang van de pensioengerechtigden daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
3.14
Oskam voert als onderbouwing van het door haar gestelde zwaarwichtig belang het volgende aan. De kosten van uitvoering van de indexeringsregeling zijn onvoorspelbaar en de opzegging van de CBSI-overeenkomst is door het bestuur van Bpf Bouw geaccepteerd. Daarnaast is door het teruglopen van het personeelsbestand van Oskam de verhouding tussen het aantal gepensioneerden die in de NN-regeling pensioen hebben opgebouwd en het actieve personeelsbestand veranderd. Bovendien is de NN-regeling, gezien het eindloonkarakter, niet meer marktconform. Oskam heeft haar belang toegelicht met een berekening waaruit blijkt dat door de jaren heen de kosten voor het in standhouden van het voorwaardelijk indexatieperspectief met een gemiddelde indexatie van 0,52% tot 1 januari 2022 gemiddeld afgerond € 17.600,- per jaar bedroeg. Met deze financieringslast valt geen rekening te houden omdat deze afhankelijk is van bestuursbesluiten van Bpf Bouw. Per 1 januari 2023 bedroeg de indexatie 14,25% als gevolg van de soepelere reserveringsregelingen. De financiering daarvan becijfert Oskam op € 575.055,-, en met de indexaties over 2022 en 2023 er bovenop afgerond op € 672.000,-. Oskam heeft onvoldoende financiële draagkracht om deze last te dragen. De gepensioneerden betwisten dit gemotiveerd.
3.15
Het hof constateert dat Oskam haar stelling dat zij de financieringslast voor de indexaties niet kan dragen niet heeft onderbouwd. Zij verwijst slechts naar de balansen die de gepensioneerden hebben opgevraagd bij de Kamer van Koophandel en in het geding hebben gebracht. Maar de gepensioneerden voeren terecht aan dat die balansen onvoldoende inzicht geeft in de financiële situatie van Oskam . Van Oskam had verwacht mogen worden om de door haar gestelde bedrijfseconomische noodzaak van beëindiging van de indexeringsregeling te onderbouwen met jaarrekeningen, inclusief winst- en verliesrekening, voorzien van een accountantsverklaring over de periode voorafgaand aan de beëindiging van de indexeringsregeling, alsmede, gezien het verweer van de pensioengerechtigden, relevante gegevens over het concern waartoe zij behoort. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Oskam geen onderbouwing heeft gegeven van de noodzaak om de indexeringsregeling volledig te beëindigen. Ondanks dat oordeel heeft Oskam ook in hoger beroep geen onderbouwing gegeven van haar stellingen in dit verband. Oskam heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat dat een bewuste keuze is omdat zij een regionaal bedrijf is waarvan zij de ‘inside information’ wil behouden. Partijen hebben na de mondelinge behandeling onderhandeld over informatiedeling maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. Na die onderhandelingen heeft Oskam nog verzocht om bij akte stukken in het geding te mogen brengen, maar het gaat om ongespecificeerde stukken en de gepensioneerden hebben zich daartegen verzet. Het hof oordeelt dat dit te laat is. Oskam heeft ervoor gekozen om de door haar gestelde financiële noodzaak niet nader te onderbouwen. Zij had dat kunnen (en, zeker gelet op het oordeel van de kantonrechter, moeten) doen bij memorie van grieven of uiterlijk voorafgaande aan de mondelinge behandeling. Maar nu zij geen enkele onderbouwing heeft gegeven van haar stelling dat haar financiële situatie de financieringslast niet kan dragen, die door de gepensioneerden gemotiveerd is betwist, verwerpt het hof deze stelling. Oskam heeft bovendien niet nader onderbouwd dat zij de financieringslast voor toekomstige indexeringen niet kan dragen. De indexering van 14,5% in 2023 door Bpf Bouw is nadien niet meer gevolgd door dergelijke hoge percentages. In 2024 heeft Bpf Bouw niet geïndexeerd en in 2025 is geïndexeerd met 0,75%.
3.16
Het gegeven dat het personeelsbestand is gekrompen kan op zichzelf geen zwaarwegend belang opleveren. Tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht dat het personeelsbestand ten tijde van het aangaan van de CBSI-overeenkomst ongeveer 40 werknemers bedroeg, en nu ongeveer 19. Het aantal gepensioneerden die aanspraken hebben op het NN-pensioen bedraagt ongeveer 62. Zonder inzicht in de financiële situatie van Oskam kan niet beoordeeld worden of sprake is van een disbalans, zoals Oskam aanvoert. Bovendien is door de pensioengerechtigden onbetwist aangevoerd dat bij de overgang naar Bpf Bouw in 2007 er door Oskam bewust voor is gekozen geen collectieve waardeoverdracht te laten plaatsvinden. De pensioengerechtigden hebben daar geen inbreng in gehad. Het is dus een keuze van Oskam zelf geweest dat zij de koopsommen voor de indexering jaarlijks moest financieren door het pensioen in de NN-regeling achter te laten en een aparte CBSI-overeenkomst te sluiten. Ook de stelling van Oskam dat de NN-regeling niet marktconform is kan niet tot een ander oordeel leiden. Oskam heeft die stelling verder niet onderbouwd en het gaat hier (slechts) om de indexering van de pensioenen en niet om de regeling zelf.
3.17
Oskam beroept zich er ook op dat door het einde van de indexeringsregeling de pensioengerechtigden slechts indexatie over een klein deel van hun totale pensioenuitkering missen. Zij hebben namelijk het overgrote deel van hun pensioen opgebouwd bij Bpf Bouw en de NN-pensioenuitkering vormt daarvan een ondergeschikt onderdeel. Het hof heeft geen exact inzicht in de omvang van de NN-uitkering in relatie tot de pensioenuitkering van Bpf Bouw. Oskam heeft dat berekend voor drie van de pensioengerechtigden en die percentages liggen tussen de 13 en 19%. De pensioengerechtigden stellen dat het gaat om een percentage van 20 tot in een geval 30%. Ook als het hof uitgaat van de lagere percentages, geldt dat de pensioengerechtigden door het beëindigen van de indexeringsregeling koopkrachtverlies ervaren van een deel van het door hen gedurende vele jaren opgebouwde pensioen. Zij hebben belang bij het waardevast houden van hun pensioenuitkering. Nu het door Oskam gestelde zwaarwichtig belang niet is komen vast te staan, hoeft dit belang van de pensioengerechtigden daarvoor niet te wijken.
3.18
Het hof concludeert dat Oskam met de beëindiging van de indexeringsregeling heeft gehandeld in strijd met de pensioenovereenkomst.
(v) welke vorderingen zijn toewijsbaar?
3.19
De pensioengerechtigden hebben hun vordering in hoger beroep gewijzigd. Aanvankelijk hebben zij ook de situatie na 1 januari 2026 (de door Bpf Bouw beoogde datum van invaren in het kader van de WTP) in hun vorderingen opgenomen. Die vorderingen hebben zij echter tijdens de mondelinge behandeling weer ingetrokken. Het hof hoeft dus niet te oordelen over de vorderingen D, E en F derde gedachtestreepje.
3.2
De verklaringen voor recht onder A en C worden toegewezen zoals hierna te melden. De pensioengerechtigden vorderen onder F nakoming van de pensioenregeling, in die zin dat Oskam wordt veroordeeld tot (af)financiering en onderbrenging van de verschuldigde indexaties, onder verbeurte van een dwangsom. Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de pensioengerechtigden toegelicht dat deze vorm van nakoming ook mogelijk is. Oskam heeft zich tegen de vordering tot nakoming niet apart (anders dan op inhoudelijke gronden) verweerd en heeft haar grieven tegen toewijzing van deze vordering door de kantonrechter niet toegelicht. Het hof zal deze vordering daarom toewijzen, zij het dat de termijn wordt gezet op 3 maanden nu er derde partijen nodig zijn voor de uitvoering. Oskam heeft subsidiair de hoogte van de pensioenuitkering die geïndexeerd moet worden betwist. Zij stelt dat uit productie 29 bij dagvaarding en productie 4 bij conclusie van antwoord blijkt hoe hoog die uitkering is en dat zijn andere bedragen dan die in de dagvaarding zijn genoemd. Dat is door de gepensioneerden niet betwist en zij zijn op hun berekening bij dagvaarding verder ook niet teruggekomen. Dit betekent dat dit subsidiaire verweer wordt gehonoreerd en dat de basis voor de berekening de door Oskam genoemde stukken is.
3.21
Het hof zal de gevorderde dwangsom afwijzen. Op zichzelf kan een dwangsom worden opgelegd omdat het, anders Oskam aanvoert, gaat om een vordering tot nakoming, waarbij betaling aan een derde dient plaats te vinden. Maar omdat het hof geen aanleiding ziet aan te nemen dat Oskam niet zal nakomen, wijst het hof in dit stadium de dwangsom af.
3.22
De verklaring voor recht onder B (dat Oskam door beëindiging van de indexeringsregeling het voorschrift van artikel 7 lid 5 Vrijstellingsbesluit Pro schendt) wordt afgewezen. Los van de vraag of, zoals Oskam aanvoert, dit artikel de belangen van de pensioengerechtigden beoogt te beschermen, hebben de pensioengerechtigden niet voldoende toegelicht waarom zij bij deze verklaring voor recht in geval van toewijzing van de vorderingen onder A en F een zelfstandig belang hebben. Datzelfde geldt voor de gevorderde schadevergoeding.
3.23
De buitengerechtelijk incassokosten zijn toewijsbaar. Oskam is wel degelijk gesommeerd om de indexeringsregeling na te komen bij brief van 28 februari 2023 en in verzuim geraakt. Daarnaast maakt de omstandigheid dat de pensioengerechtigden lid zijn van de FNV niet dat geen sprake is van buitengerechtelijke incassokosten.
conclusie
3.24
De conclusie luidt dat het hoger beroep van Oskam niet slaagt. Alleen grief 4 van het incidenteel hoger beroep van de pensioengerechtigden zag op afwijzing van een vordering door de kantonrechter. Die grief slaagt niet. De overige grieven in het incidenteel hoger beroep hebben geen zelfstandige betekenis.
3.25
Omdat Oskam overwegend in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten zowel in het principaal hoger beroep als bij de kantonrechter veroordelen. De pensioengerechtigden worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Vanwege de eiswijzigingen van de pensioengerechtigden, zal het hof het vonnis van de kantonrechter voor de overzichtelijkheid vernietigen, met uitzondering van de veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.26
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
4.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 april 2024, behalve de beslissingen onder 5.5 en 5.6 die hierbij worden bekrachtigd, en beslist:
4.2
verklaart voor recht
- dat Oskam jegens de gepensioneerden niet gerechtigd was om in 2022 de indexeringsregeling zoals opgenomen in artikel 16 van Pro het Pensioenreglement PR NN eenzijdig te beëindigen
- dat Oskam op grond van de pensioenovereenkomst en het nawerkend goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW Pro gehouden is om de NN-pensioenaanspraken van de pensioengerechtigden te indexeren overeenkomstig de indexaties die Bpf Bouw toekent aan haar slapers en gepensioneerden
4.3
veroordeelt Oskam tot nakoming van de pensioenregeling, in de zin dat Oskam ten behoeve van de pensioengerechtigden wordt veroordeeld tot (af)financiering van de verschuldigde indexaties op grond van artikel 16 Pensioenreglement Pro PR NN, en wel aldus dat Oskam :
-primair Bpf Bouw, subsidiair Nationale Nederlanden, uiterst subsidiair een andere pensioenuitvoerder naar keuze van Oskam schriftelijk dient te verzoeken, met gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit verzoek aan de pensioengerechtigden, om binnen de kortst mogelijke termijn aan Oskam , en gelijktijdig aan de pensioengerechtigden, een opgave te doen van de koopsommen die nodig zijn om aan de pensioengerechtigden per 1 januari 2022 een indexatie van 1,76%, per 1 juli 2022 een indexatie van 0,79%, per 1 januari 2023 een indexatie van 14,52% en per 1 januari 2025 een indexatie van 0,75% toe te kennen op hun bij Nationale Nederlanden ondergebrachte pensioenaanspraken
-de door de betreffende pensioenuitvoerder vastgestelde koopsommen binnen 1 maand na de datering van de opgave ten behoeve van de pensioengerechtigden aan de betreffende pensioenuitvoerder dient over te maken, dit op een dusdanige wijze dat het in de rede ligt dat de betreffende pensioenuitvoerder voormelde indexaties daadwerkelijk aan de pensioengerechtigden toekent
4.4
veroordeelt Oskam tot betaling van de wettelijke rente over de te laat toegekende indexaties vanaf het moment waarop deze indexaties aan de gepensioneerden hadden moeten worden toegekend tot het moment van daadwerkelijke toekenning
4.5
veroordeelt Oskam tot betaling van de volgende proceskosten van de pensioengerechtigden voor het principaal hoger beroep:
€ 349,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van de pensioengerechtigden (2 procespunten x het toepasselijke tarief II
4.6
veroordeelt de pensioengerechtigden tot betaling van de volgende proceskosten van Oskam voor het incidenteel hoger beroep:
€ 645,- aan salaris van de advocaat van Oskam (1 procespunt x ½ tarief II)
4.7
verklaart dit arrest, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad
4.8
wijst af wat anders of meer is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, J. Sap en T. Zuiderman en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013;CA0566
2.MvT Tweede Kamer, 2021-2022,36067, nr. 3, p. 368