Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:787

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
21-000008-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling medeplegen afpersing en bedreiging met aangepaste strafoplegging

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van afpersing en bedreiging. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van de feiten en de toegewezen schadevergoeding aan de benadeelde partij, maar wijzigde de strafoplegging.

De feiten betreffen een situatie waarin verdachte, na een conflict over een fles lachgas, samen met anderen de benadeelde partij bedreigde met een vuurwapenachtig voorwerp en dwong tot afgifte van geld bij een pinautomaat. Dit leidde tot ernstige psychische gevolgen voor het slachtoffer, waaronder slaapproblemen en therapie.

De advocaat-generaal had een gevangenisstraf van 33 maanden geëist, terwijl de verdediging pleitte voor matiging en een taakstraf. Het hof oordeelde dat gezien de ernst van de feiten en het reclasseringsadvies een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend was, maar matigde deze tot 24 maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

De straf wordt verminderd met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De overige onderdelen van het vonnis, waaronder de schadevergoeding, blijven ongewijzigd. Het arrest werd uitgesproken op 10 februari 2026 door het hof in Leeuwarden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000008-25
Uitspraakdatum: 10 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 19 december 2024 met parketnummer 08-119836-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in Penitentaire Inrichting [locatie] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 27 januari 2026 en wat op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
  • veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (kort gezegd: medeplegen van afpersing en bedreiging) tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;
  • toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] conform de beslissing van de rechtbank;
  • teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 210,00 aan verdachte.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.A. Speijdel hebben aangevoerd. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van wat de advocaat van de benadeelde partij,
mr. J.P.M. Denissen heeft aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 19 december 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk en hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 504,46 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Voor het resterende deel van de gevorderde materiële schade, betreffende de post toekomstige schade, heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de rechtbank teruggave aan de verdachte gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 210,00.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis met een aanvullende overweging over de benadeelde partij bevestigen, behalve voor zover het de strafoplegging betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is naar voren gebracht dat de post toekomstige schade niet ontvankelijk verklaard kan worden en dat gepersisteerd wordt bij de overige posten. Door de verdediging is geen verweer gevoerd naar aanleiding van de vordering van de benadeelde partij. Het hof komt hierover tot dezelfde beslissingen als de rechtbank.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor de beide ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de gevangenisstraf aanzienlijk te matigen ten opzichte van het vonnis van de rechtbank door van de 24 maanden een groter deel voorwaardelijk op te leggen en daarnaast een forse taakstraf op te leggen, eventueel met reclasseringstoezicht. Daarbij heeft hij gewezen op de substantieel lagere strafeis van de officier van justitie in eerste aanleg en op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
Oordeel van het hof
De hierna genoemde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter zitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte, die eerder een fles lachgas in de woning van [benadeelde] had achtergelaten, die [benadeelde] vervolgens had laten leeglopen, meende recht te hebben op een vergoeding hiervoor door [benadeelde] . Vervolgens heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing door meerdere jongens naar de woning van [benadeelde] te sturen, een dag later daar zelf langs te gaan, die [benadeelde] daar met woorden en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te bedreigen en hem zo uiteindelijk bij een pinautomaat gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag. [benadeelde] is verspreid over twee dagen in en bij zijn woning door verdachte en anderen bang gemaakt. Verdachte heeft omdat hij zich voor schut gezet voelde, gekozen voor een vorm van eigenrichting en stond daarbij op geen enkele manier meer open voor een door [benadeelde] op meerdere momenten aangeboden oplossing om tot betaling van dat door verdachte geclaimde over te gaan.
Verdachte heeft zich op deze manier samen met anderen schuldig gemaakt aan meerdere als zeer ernstig te kwalificeren strafbare feiten tegenover [benadeelde] . Met het plegen van deze feiten heeft verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor [benadeelde] veiligheid en zijn eigendommen. De omstandigheid dat dit zich in en om zijn eigen woning afspeelde, is voor hem extra beangstigd geweest, zo blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. [benadeelde] had last van slaapproblemen, heeft lange tijd niet thuis durven slapen en had angst om naar buiten te gaan. Daarnaast heeft het slachtoffer therapie gevolgd en gesprekken met slachtofferhulp gevoerd. Pas na twee jaar waren zijn klachten zodanig afgenomen dat [benadeelde] langzaamaan weer normaal kon functioneren.
Afgezien van de gevolgen voor [benadeelde] , zorgt dit soort ernstige feiten daarnaast voor het ontstaan van gevoelens van onveiligheid en onrust in de gehele samenleving.
Het hof heeft bij de strafoplegging verder gelet op het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte in het verleden welonherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit, maar niet voor een soortgelijk feit. Het hof weegt die omstandigheid niet in strafverzwarende zin mee.
Het hof heeft ook acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 4 december 2023. Bij gebrek aan inzicht in mogelijke persoonlijkheidsproblematiek, adviseert de reclassering daarin een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak geldende landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een woningoverval met bedreiging. Hiervoor geldt als uitgangspunt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het voornoemde advies van de reclassering, ziet het hof – anders dan de rechtbank – geen andere passende mogelijkheid dan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
In de ter zitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte en de door de officier van justitie in eerste aanleg aanzienlijk lagere gevorderde gevangenisstraf, ziet het hof geen aanleiding om – zoals door de raadsman verzocht – een substantiële matiging daarin aan te brengen en aan hem daarnaast een taakstraf op te leggen. Daarvoor zijn de bewezenverklaarde feiten simpelweg te ernstig.
Overschrijding redelijke termijn
Het hof stelt vast dat in deze zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg die moet leiden tot een strafmatiging. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten 3 mei 2021. De rechtbank heeft op 19 december 2024 vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de rechtbank na ruim drie en een half jaar vonnis heeft gewezen. Deze overschrijding valt niet aan verdachte toe te rekenen.
Gelet op het voorgaande – in onderlinge samenhang bezien – vindt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Hierbij is rekening gehouden met de voornoemde overschrijding van de redelijke termijn, in die zin dat zonder overschrijding een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden zou zijn opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 55, 57, 63, 285, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. M.B. de Wit en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 februari 2026.