ECLI:NL:GHARL:2026:816

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
200.355.845
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 424 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing na cassatie: vervangende toestemming verhuizing, zorgregeling en kinderalimentatie

De zaak betreft een geschil tussen ouders over vervangende toestemming voor verhuizing van de moeder met hun twee minderjarige kinderen, de zorgregeling en kinderalimentatie. Na eerdere beslissingen van de rechtbank en het hof ’s-Hertogenbosch, die de moeder beperkten in haar verhuismogelijkheden, vernietigde de Hoge Raad deze laatste beschikking wegens schending van het hoor en wederhoor-beginsel en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof beoordeelt de situatie opnieuw, waarbij het rekening houdt met gewijzigde feitelijke omstandigheden, waaronder een gespannen relatie tussen de ouders met meldingen van huiselijk geweld en stalking. De moeder woont nu in een omgeving zonder eigen netwerk, terwijl Hilvarenbeek een veilige plek met familie is. Het hof oordeelt dat de belangen van de moeder en kinderen bij verhuizing naar Hilvarenbeek zwaarder wegen dan het belang van de vader bij contact, mede omdat co-ouderschap gezien de afstand niet haalbaar is.

De zorgregeling wordt aangepast naar een omgangsregeling waarbij de kinderen om de veertien dagen een weekend bij de vader verblijven, met verdeling van vakanties en feestdagen in onderling overleg. De kinderalimentatie wordt herberekend op basis van de gewijzigde zorgregeling en draagkracht, waarbij de vader een maandelijkse bijdrage van €302 per kind moet betalen. Tevens wordt bepaald dat de vader teveel betaalde alimentatie vanaf 1 maart 2024 mag verrekenen met toekomstige betalingen.

De beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 augustus 2022 wordt vernietigd en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof verleent vervangende toestemming voor verhuizing naar Hilvarenbeek, stelt een aangepaste zorgregeling vast en wijzigt de kinderalimentatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.845
(zaaknummers rechtbank Zeeland-West-Brabant 388799 en 395928)
beschikking van 12 februari 2026
inzake
[de vrouw],
wonende in [woonplaats1] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. C.G.M. Baas,
en
[de man],
wonende in [woonplaats2] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling,
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te Etten-Leur,
verder te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep na verwijzing

1.1
De Hoge Raad heeft op 16 mei 2025 een beschikking gegeven en daarbij de beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 29 februari 2024 vernietigd en de zaak voor verdere behandeling verwezen naar dit hof. Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de voornoemde beschikking van de Hoge Raad (zaaknummer 24/02034).
1.2
De vrouw heeft bij brief die is ingekomen ter griffie van het hof op 12 juni 2025 verzocht over te gaan tot verdere behandeling van de zaak. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad te laten weten welke rechtsvragen volgens hen nog voorliggen.
1.3
Ter griffie van het hof zijn daarna binnengekomen:
- een verzoekschrift na verwijzing door de Hoge Raad van de vrouw met producties;
- een journaalbericht namens de man van 18 februari 2025 met een begeleidende brief met producties;
- een journaalbericht namens de vrouw van 2 december 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de man van 4 december 2025 met producties.
1.4
De mondelinge behandeling heeft op 9 december 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vrouw en haar advocaat;
- de man en zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder ook te noemen: de raad).

2.Het geschil in eerste aanleg, bij het hof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad

2.1
Partijen woonden in [woonplaats3] . Zij zijn de ouders van [minderjarige1] en [minderjarige2] . De vrouw is na het uiteengaan van partijen op circa 80 kilometer afstand in Hilvarenbeek gaan wonen bij haar ouders. Zij heeft (voor zover hier relevant) in eerste aanleg bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda), verzocht aan haar vervangende toestemming te verlenen om samen met [minderjarige1] en [minderjarige2] te verhuizen naar de gemeente Hilvarenbeek en daar in de gemeente te worden ingeschreven.
De rechtbank heeft in de beschikking van 18 augustus 2022 (in afwijking van het verzoek van de vrouw, maar conform het standpunt van de man) aan de vrouw - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man - vervangende toestemming verleend om samen met [minderjarige1] en [minderjarige2] te verhuizen binnen een straal van maximaal 30 kilometer vanaf [woonplaats3] .
Kort na die beslissing is de vrouw niettemin verhuisd naar een huurwoning in Hilvarenbeek.
2.2
De vrouw is in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 18 augustus 2022 en heeft het hof ’s-Hertogenbosch verzocht alsnog aan haar vervangende toestemming te geven, zodat zij met [minderjarige1] en [minderjarige2] , die hoofdverblijf bij haar hebben, kon blijven wonen in Hilvarenbeek. De man was inmiddels verhuisd naar [woonplaats2] , gemeente [gemeente] .
Het hof ‘s-Hertogenbosch heeft bij gemelde beschikking van 29 februari 2024 de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 18 augustus 2022 vernietigd voor zover aan de vrouw toestemming is verleend om samen met [minderjarige1] en [minderjarige2] te verhuizen binnen een straal van maximaal 30 kilometer vanaf [woonplaats3] en opnieuw beschikkende, bepaald dat de vrouw met [minderjarige1] en [minderjarige2] uiterlijk op 1 augustus 2024 dient te zijn terugverhuisd naar een adres binnen een straal van 10 kilometer van het woonadres van de man - dus [woonplaats2] - onder verbeurte van een dwangsom. De vrouw is vervolgens verhuisd naar het binnen genoemde straal van 10 kilometer gelegen [woonplaats1] .
2.3
De vrouw heeft cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof ‘s-Hertogenbosch. De man heeft verweer gevoerd. Het geschil in cassatie spitste zich toe op de beslissing van het hof de straal te wijzigen van 30 naar 10 kilometer van de woonplaats van de man (in eerste instantie [woonplaats3] en daarna [woonplaats2] ) en de daarvoor door het hof gegeven motivering.
De Hoge Raad heeft bij gemelde beschikking van 16 mei 2025 samengevat overwogen dat het hof grote vrijheid had alles wat door partijen was aangevoerd bij zijn beoordeling te betrekken en het hof bij zijn beslissing acht kon slaan op de navolgende opmerking van de man tijdens de zitting:
“Ik vind dat de kinderen moeten terugverhuizen en wil dat het hoofdverblijf van de kinderen bij mij wordt bepaald. Ik heb altijd goed voor de kinderen gezorgd. Het liefst zou ik dan co-ouderschap willen, binnen een straal van vijf kilometer, zodat de kinderen zelf naar hun vader of moeder kunnen. Die 30 kilometer is zomaar gekozen bij de zitting bij de rechtbank. Ik zou eerder denken aan tien kilometer.”
Door op deze opmerking acht te slaan (en de straal te verkleinen naar 10 kilometer van de woonplaats, toevoeging hof), heeft het hof volgens de Hoge Raad niet gehandeld in strijd met de twee-conclusieregel, maar het hof had de moeder uitdrukkelijk in de gelegenheid moeten stellen zich daarover uit te laten op grond van het beginsel van hoor en wederhoor. Nu niet blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en uit de beslissing dat de vrouw die gelegenheid heeft gekregen, heeft het hof ’s-Hertogenbosch gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof ‘s-Hertogenbosch vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar dit hof verwezen.

3.De motivering van de beslissing

3.1
Het hof zal eerst het juridisch kader na de verwijzing van de Hoge Raad schetsen. Daarna zal worden besproken wat in dit hoger beroep voorligt.
procedure na cassatie en verwijzing
3.2
Uit artikel 424 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat het hof waarnaar de zaak is verwezen de behandeling daarvan voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.
3.3
Het hof zal om te beginnen moeten vaststellen welke onderdelen van de rechtsstrijd van partijen als gevolg van de beschikking van de Hoge Raad thans nog ter beslissing voorliggen. Volgens vaste rechtspraak is de verwijzingsrechter als regel gebonden aan alle in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissingen van het eerste hof. De in cassatie niet bestreden beslissingen hebben kracht van gewijsde gekregen en kunnen daarom niet alsnog worden bestreden.
De vraag of en in hoeverre de verwijzingsrechter aan de beslissingen in de vernietigde uitspraak is gebonden, moet van geval tot geval door uitlegging van de vernietigde uitspraak en de beschikking van de Hoge Raad aan de hand van de gegrond bevonden cassatieklachten worden beantwoord. Dit geldt ook voor de beantwoording van de vraag of van voortbouwende beslissingen of van beslissingen die onverbrekelijk met de vernietigde beslissing samenhangen, sprake is.
3.4
Voorts geldt volgens vaste rechtspraak als uitgangspunt dat de verwijzingsrechter het overgebleven deel van het geschil moet beoordelen naar de stand waarin het zich bevond op het moment van wijzen van de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak. Een uitzondering op de regel dat de verwijzingsrechter is gebonden aan de beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, is dat in de rechtspraak van de Hoge Raad het onder meer aan partijen wordt toegestaan desgewenst hun stellingen aan te passen (i) als de verwijzingsuitspraak heeft geleid tot een nieuwe ontwikkeling in het geding waarop de partijen niet eerder hebben kunnen inspelen of als (ii) sprake is van na de bestreden uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden. Een beroep op feiten die zich na de vernietigde uitspraak hebben voorgedaan, mag slechts worden gedaan indien partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden. De verwijzingsrechter moet feiten en omstandigheden als hiervoor aangeduid mede in zijn beoordeling betrekken.
verzoeken van partijen na cassatie
3.5
De vrouw verzoekt na cassatie het hof de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-
Brabant van 18 augustus 2022 (zaaknummer 395928) te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om met de kinderen te verhuizen naar Hilvarenbeek;
- te bepalen dat de man en de kinderen een keer in de veertien dagen omgang hebben
en dat zij de kinderen op vrijdag zal brengen naar de man om 17.00 uur en dat zij de kinderen zal halen op zondag om 17.00 uur;
- te bepalen dat de vakanties bij helfte verdeeld zullen worden.
3.6
De man vraagt het hof:
- afwijzing van het verzoek van de vrouw om aan haar vervangende toestemming te verlenen met de kinderen te wonen in Hilvarenbeek, met bepaling dat de vrouw binnen een straal van 10 kilometer van zijn woonadres dient te blijven wonen met de kinderen, onder verbeurte van een dwangsom;
- primair een co-ouderschapsregeling vast te stellen in die zin dat de kinderen de ene week bij hem zijn en de andere week bij de vrouw en subsidiair de huidige zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de kinderen in de oneven weken van woensdag na school tot maandagochtend als de school begint bij hem zijn, waarbij hij op woensdag de kinderen van school haalt en op maandag terug naar school brengt, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen;
- het verzoek om aanhouding, in afwachting van het systeemonderzoek, niet langer te behandelen;
- te bepalen dat hij ook na de datum van 1 maart 2024 aan kinderalimentatie € 189,37 per kind per maand dient te betalen.
3.7
Het hof zal op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten per verzoek bepalen of hierover door het hof ‘s-Hertogenbosch al definitief is beslist dan wel dat er aanleiding is om het onderwerp opnieuw te beoordelen.
vervangende toestemming verhuizing
3.8
In de procedure welke voerde tot de vernietigde beschikking van het hof
’s-Hertogenbosch van 29 februari 2024 was aan de orde het verzoek van de vrouw alsnog aan haar vervangende toestemming te geven, zodat zij met [minderjarige1] en [minderjarige2] , die hoofdverblijf bij haar hebben, kan blijven wonen in Hilvarenbeek, waar zij op dat moment woonde.
Naar het oordeel van het hof ligt na verwijzing ter beoordeling voor het thans bij verzoekschrift na verwijzing gedane verzoek van de moeder te bepalen dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend om met de kinderen te mogen verhuizen van haar huidige woonplaats [woonplaats1] - waar zij is gaan wonen in het kader van de uitvoering van de vernietigde beschikking - naar Hilvarenbeek. En niet zoals de man op de zitting bij het hof heeft gesteld dat de vrouw zich enkel nog mag uitlaten over verhuizen binnen een straal van dertig kilometer of tien kilometer van zijn woonadres. Het hof is met de vrouw namelijk van oordeel dat sprake is van na de bestreden uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden die ten grondslag liggen aan het thans gedane verzoek en dat deze feiten en omstandigheden mede in de beoordeling van het verzoek moeten worden betrokken. Het hof overweegt daartoe als volgt.
3.9
Het hof stelt vast dat deze procedure over vervangende toestemming thans al vijf (5) jaar loopt. De vrouw en de man zijn in januari 2021 uit elkaar gegaan. De periode voordat partijen uit elkaar gingen en de periode daarna kenmerkten zich door spanningen, ruzie en huiselijk geweld waar de kinderen getuigen van zijn geweest. Van de (fysieke) incidenten tussen de vrouw en de man, hebben beiden over en weer aangifte gedaan. Een en ander heeft uiteindelijk in februari 2022 geleid tot het advies van de GI aan de vrouw om met de kinderen de voormalige echtelijke woning te verlaten en naar haar ouders en (dus) haar netwerk in Hilvarenbeek te vertrekken. Dit advies is volgens de GI gegeven om de kinderen te beschermen tegen het verbale en fysieke geweld tussen de ouders. De vrouw heeft dat gedaan.
Uiteindelijk heeft de vrouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en hof
’s-Hertogenbosch niet de vervangende toestemming gekregen om met de kinderen definitief te verhuizen naar en dus te gaan wonen in Hilvarenbeek, omdat de belangen van de kinderen en de man bij (onverminderd) contact met elkaar en het kunnen ontwikkelen van een ouder-kind relatie zwaarder woog dan het belang van de vrouw om in de voor haar vertrouwde omgeving te kunnen blijven wonen en het belang dat de kinderen kunnen hebben bij rust en continuering van de toen bestaande situatie. De afstand tussen de woonplaats(en) van de man en Hilvarenbeek - circa 80 kilometer - stond daaraan in de weg. Na de beschikking van het hof ‘s-Hertogenbosch is de vrouw met de kinderen verhuisd binnen een straal van tien kilometer van de woning van de man. Nadien is echter gebleken dat deze verhuizing in het geheel niet geholpen heeft om de zeer gespannen onderlinge verstandhouding tussen de vrouw en de man te verbeteren. Het tegendeel is het geval. Onder meer blijkt uit de stukken van een stopgesprek van de man met de politie op 25 juni 2025 naar aanleiding van een melding van de vrouw over stalking door de man, stelt de vrouw dat de man zijn middelvinger soms naar haar opsteekt en haar uitscheldt als hij haar ziet, terwijl de kinderen dan bij hem in de auto zitten. Voorts staat bij de politie ten behoeve van de vrouw de melding Afspraak op Locatie (AOL) geregistreerd. Hoewel de man het stopgesprek met de politie wel erkent, maar bagatelliseert, heeft hij ter zitting wel verteld met enige regelmaat contact te hebben met de wijkagent over de situatie tussen hem en de vrouw. Dit is zorgelijk. Het hof constateert dat de vrouw en de man hetgeen tussen hen gebeurt anders beleven. Maar duidelijk is in elk geval dat de verhuizing van de vrouw en de kinderen naar een woning dichter bij de woning van de man niet heeft geleid tot rust in die situatie tussen partijen. Zij leven nog steeds op gespannen voet met elkaar en de kinderen krijgen daarvan het nodige mee. De hiervoor genoemde nieuwe omstandigheden, maken het naar het oordeel van het hof noodzakelijk dat alle betrokken belangen opnieuw worden afgewogen, waarbij alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling wordt betrokken. Het gaat daarbij niet om een herbeoordeling van de stand van zaken ten tijde van de beslissing van het hof
’s-Hertogenbosch, maar om de omstandigheden zoals deze nu zijn.
3.1
Het hof merkt allereerst op dat de vrouw in beginsel het recht heeft om samen met [minderjarige1] en [minderjarige2] te verhuizen en ergens anders een leven op te bouwen, want [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij haar. Dit kan anders zijn als andere belangen zwaarder moeten wegen, bijvoorbeeld de belangen van de man. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.3.6 een aantal omstandigheden en belangen genoemd, die in de rechtspraak regelmatig worden meegewogen in een verhuisbeslissing. Die opsomming is niet limitatief en de rechter hoeft niet alle omstandigheden op de lijst bij zijn oordeel te betrekken. De rechter beslist per zaak welke omstandigheden voor die specifieke zaak belangrijk zijn. Het hof zal die regel toepassen op onderhavig geschil tegen de achtergrond van de feiten en omstandigheden aan de zijde van partijen zoals die op dit moment zijn.
3.11
De vrouw stelt allereerst dat de verhuizing van haar met de kinderen van [woonplaats1] naar Hilvarenbeek noodzakelijk is voor hun veiligheid. De vrouw stelt onder begeleiding van de politie destijds op advies van de GI te zijn vertrokken naar Hilvarenbeek, omdat dit voor haar een veilige omgeving is met familie en vrienden. Het hof stelt vast dat partijen niet dezelfde lezing hebben over wat tussen hen heeft plaatsgevonden, zoals bijvoorbeeld tijdens het incident toen de vrouw zich met de kinderen had opgesloten in de badkamer en of de vrouw nu wel of niet onder begeleiding van de politie destijds is vertrokken naar Hilvarenbeek. Maar de partijen betwisten niet dat zich escalaties tussen hen hebben voorgedaan in aanwezigheid van de kinderen en dat ook regelmatig over en weer bij de politie meldingen zijn gedaan over hetgeen tussen partijen heeft plaatsgevonden. De vrouw stelt dat haar gevoel van veiligheid door de man is ontnomen. De vrouw woont nu als gevolg van de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch en de verhuizing van de man naar [woonplaats2] in [woonplaats1] midden in het netwerk van de man en zij heeft geen eigen netwerk in die omgeving. Naar het oordeel van het hof is de onveiligheid die de moeder richting de vader ervaart te begrijpen. Op enig moment is door de GI, vanuit veiligheidsoverwegingen, besloten om de vrouw samen met de kinderen te laten vertrekken naar Hilvarenbeek omdat de situatie tussen partijen zeer complex was en naar het oordeel van het hof is dat nog steeds het geval. Er is sprake van veel wantrouwen tussen partijen en daarbij zijn bepaalde gedragingen van de man niet helpend om het vertrouwen bij de vrouw te herstellen. Zoals meerdere keren per dag bij de woning van de vrouw langsrijden. Mogelijk komt dit, zoals de man stelt, omdat de school van de kinderen in de buurt van de woning van de vrouw is. Wat daarvan ook zij, de man zou moeten begrijpen dat gelet op de gespannen onderlinge verstandhouding dit effect kan hebben op het gevoel van veiligheid van de vrouw. In dit geval echter was het nodig dat de wijkagent de man erop wees dat hij beter een alternatieve route kan nemen. Verder blijkt uit het dossier, en dat wordt bevestigd door de huisarts, dat de man onjuiste informatie heeft verstrekt aan de huisarts en heeft gezegd dat de vrouw gegevens over de kinderen tegenhield van onder meer de tandarts en dat de vrouw [minderjarige1] en [minderjarige2] niet juiste zorg zou geven. Terwijl uit het dossier duidelijk blijkt dat het de man zelf is die, ook na de verhuizing van de vrouw en de kinderen binnen een straal van tien kilometer vanaf zijn woonadres, zijn toestemming voor onder meer de huisarts, de tandarts en de noodzakelijke specialistische tandzorg voor [minderjarige1] niet gaf. Pas na herhaald aandringen door derden geeft de man uiteindelijk zijn toestemming. Weliswaar betreft dat gezagszaken, maar door de wijze van handelen van de man blijkt wel duidelijk dat de man nog steeds en onverminderd strijd voert tegen de vrouw. Het hof acht gezien dit alles en ook gelet op de eigen waarneming van het hof ter zitting genoegzaam aannemelijk dat het handelen van de man de vrouw stress geeft en dat dit van invloed is op de draaglast van de vrouw en dus op haar rol als hoofdopvoeder. Dit blijkt ook uit de brief van de maatschappelijk werker van de vrouw waarin de maatschappelijk werker schrijft dat de vrouw nog steeds veel onrust, angst en onveilige gevoelens ervaart en dat de man nu hij in de buurt woont er alles aandoet om het leven van de vrouw zuur te maken. Het hof ziet in het voorgaande voldoende aanleiding om ervan uit te gaan dat een verhuizing van de vrouw met [minderjarige1] en [minderjarige2] naar Hilvarenbeek noodzakelijk is en dat het in het belang van de vrouw is om op ruime(re) afstand van de man te wonen voor haar rust en gevoel van veiligheid, ook ruimer dan 30 kilometer. Dat is ook in het belang van de kinderen, omdat de vrouw hun hoofdverzorger is en het in hun belang is dat de vrouw hun dagelijkse zorg en opvoeding kan blijven dragen. Bovendien hebben de kinderen al twee jaar in Hilvarenbeek gewoond en is dat dus voor hen een vertrouwde omgeving. Deze belangen van de vrouw en de kinderen wegen zwaarder dan het belang van de man (en de kinderen) bij onverminderd contact met elkaar en het kunnen ontwikkelen van een ouder-kind relatie. Het hof betrekt daarbij dat zowel in geval van een afstand van 30 kilometer als van 80 kilometer een co-ouderschap zoals door de man voorgestaan illusoir is.
3.12
Al het voorgaande afwegende komt het hof tot het oordeel dat onder de thans aan de orde zijnde omstandigheden aan de vrouw vervangende toestemming moet worden verleend om met [minderjarige1] en [minderjarige2] te verhuizen van [woonplaats1] naar Hilvarenbeek.
3.13
De vraag in hoeverre de beslissing van de rechtbank in 2022 op grond van de toen bestaande situatie juist is geweest, kan daarmee in het midden blijven. Nu het hof op grond van de huidige situatie tot een ander oordeel komt zal het hof deze toch vernietigen.
zorgregeling
3.14
Omdat de vrouw toestemming krijgt voor de verhuizing, is een aanpassing van de zorgregeling tussen de man en [minderjarige1] en [minderjarige2] nodig (het betreft een voortbouwende beslissing). De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te leggen waarbij de kinderen één keer in de veertien dagen bij de man zullen zijn en de vakanties bij helfte worden verdeeld. De man wenst het liefst een co-ouderschapsregeling en anders de huidige zorgregeling waarbij de kinderen in de oneven weken van woensdag na school tot maandagochtend als de school begint bij hem zijn en gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen.
3.15
Door de afstand tussen Hilvarenbeek en [woonplaats2] is een co-ouderschapsregeling of handhaving van de huidige zorgregeling niet in het belang van de kinderen, omdat bij deze zorgregelingen de reisafstand tussen de woning van de man en de school van de kinderen te groot is. Voor de kinderen is het te belastend bijna dagelijks deze reisafstand te moeten afleggen. Het hof zal daarom conform het verzoek van de vrouw een zorgregeling vaststellen waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen bij de man zullen zijn en de vrouw de kinderen zal halen en brengen. Verder zal het hof vaststellen dat de schoolvakanties en feestdagen door de vrouw en de man in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
kinderalimentatie
3.16
De man heeft het hof verzocht te bepalen dat hij ook na de datum van 1 maart 2024 € 189,37 per kind per maand aan kinderalimentatie dient te betalen, omdat hij ook na deze datum zijn IKB-budget gebruikt voor het opnemen van verlof om voor de kinderen te zorgen. Nu de zorgregeling wijzigt, omdat de vrouw toestemming krijgt voor de verhuizing, is eveneens een aanpassing van de door de man te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige1] en [minderjarige2] nodig (het betreft een voortbouwende beslissing). De bij deze beschikking vast te stellen zorgregeling heeft namelijk gevolgen voor de zorgkorting waarmee rekening wordt gehouden bij de berekening van de kinderalimentatie. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg die de man heeft voor de kinderen. Als gevolg van de nieuwe zorgregeling zorgt de man minder voor de kinderen en zal dit niet meer dan gemiddeld twee dagen per week zijn. Dit betekent dat de zorgkorting geen 35% meer is (dat is het percentage als de kinderen gemiddeld drie dagen per week bij de man zouden zijn), maar 25%.
3.17
Voordat het hof een nieuwe berekening zal maken, gaat het hof eerst in op de stelling van de man dat ook ná 1 maart 2024 tot heden rekening moet worden gehouden met het door hem opgenomen zorgverlof. Omdat het hier om een beslissing over levensonderhoud gaat, geldt volgens vaste rechtspraak dat het hof anders kan beslissen als blijkt dat het hof
’s-Hertogenbosch op grond van onjuiste of onvolledige gegevens tot een oordeel is gekomen. De man heeft met de door hem overgelegde stukken van 18 augustus 2025 naar het oordeel van het hof voldoende aangetoond dat hij - anders dan waar het hof ’s-Hertogenbosch van uitging - ook ná 1 maart 2024 zijn IKB-budget heeft gebruikt voor het opnemen van zorgverlof voor de kinderen. Op basis van de berekeningen van het hof ’s-Hertogenbosch betekent dit dat de door de man te betalen kinderalimentatie ná 1 maart 2024 € 201,11 per kind per maand bedraagt (€ 189,37, zijnde het bedrag per 1 december 2023 geïndexeerd naar 1 januari 2024 (indexatie 6,4%)), met ingang van 1 januari 2025 (indexatie 6,5%) € 214,18 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2026 (indexatie 4,6%) € 224,03 per kind per maand.
3.18
Het hof zal nu de kinderalimentatie met ingang van de datum van deze beschikking berekenen. De kinderen zijn op basis van deze beschikking niet meer doordeweeks bij de man. Het hof houdt daarom geen rekening meer met zorgverlof en zal bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening houden met het volledige IKB-budget.
Omdat het hof niet de recente inkomensgegevens van partijen heeft, zal het hof op basis van de berekening die het hof ’s-Hertogenbosch heeft gemaakt vanaf 1 maart 2024 (waarbij rekening is gehouden met het volledige IKB-budget) de kinderalimentatie berekenen, waarbij rekening wordt gehouden met een zorgkorting van 25% en vervolgens zal dit bedrag worden geïndexeerd naar 1 januari 2026. De totale behoefte van de kinderen in 2024 is berekend op € 1.116,78 per maand. De zorgkorting (25%) voor beide kinderen samen bedraagt dan € 279,20 per maand. De gezamenlijke draagkracht van de partijen was € 718,- per maand (draagkracht man was € 622,- per maand). Er is dan een tekort in draagkracht van (€ 1.116,78 - € 718,- =) € 398,78 per maand, waarvan de helft € 199,39 wordt toegerekend aan de man. De zorgkorting die op de bijdrage van de man in mindering wordt gebracht bedraagt dan (€ 279,20 - € 199,39 =) € 79,81 per maand. Op basis van het voorgaande dient de man (€ 622,- - € 79,81) afgerond € 542,- ofwel € 271,- per kind per maand aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding. Geïndexeerd naar 1 januari 2026 bedraagt de kinderalimentatie € 302,- per kind per maand. Dit betekent dat het hof de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van deze beschikking zal vaststellen op € 302,- per kind per maand.
Het hof zal voor de duidelijkheid de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 augustus 2022 volledig vernietigen en de kinderalimentatie met ingang 1 december 2023 opnieuw vaststellen.
3.19
Het voorgaande betekent dat de man in de periode vanaf 1 maart 2024 tot heden boven zijn draagkracht is belast. Aan de andere kant is sprake van een tekort in draagkracht om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Het hof gaat ervan uit dat de kinderalimentatie van maand tot maand is verbruikt, zodat van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij de door de man teveel betaalde in zijn geheel ineens terugbetaalt. Daarom zal het hof bepalen dat de man het door hem teveel betaalde vanaf 1 maart 2024 tot heden mag verrekenen met toekomstige maandelijkse termijnen voor een bedrag van maximaal € 25,- per kind per maand tot het gehele bedrag is verrekend. Daarna dient hij de bij deze beschikking bepaalde kinderalimentatie van € 302,- per kind per maand weer volledig te voldoen.
proceskosten
3.2
Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 augustus 2022 ten aanzien van de beslissing over de vervangende toestemming om te verhuizen, de zorgregeling en de kinderalimentatie en, in zoverre, opnieuw beschikkende:
verleent aan de vrouw vervangende toestemming om met [minderjarige1] en [minderjarige2] te verhuizen van [woonplaats1] naar Hilvarenbeek;
stelt als zorgregeling vast dat [minderjarige1] en [minderjarige2] bij de man verblijven:
- één keer in de twee weken van vrijdag om 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij geldt dat de vrouw de zorg draagt voor het halen en brengen van de kinderen en
- de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen de vrouw en de man te verdelen;
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
[minderjarige1] en [minderjarige2] zal betalen:
- met ingang van 1 december 2023 € 189.37 per kind per maand;
- met ingang van 1 januari 2024 € 201,11 per kind per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 € 214,18 per kind per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 € 224,03 per kind per maand en
- met ingang van heden € 302,- per kind per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen:
bepaalt dat de vrouw de vanaf 1 maart 2024 tot heden teveel ontvangen kinderalimentatie
moet terugbetalen in die zin dat de man dit mag verrekenen met in de toekomst door hem verschuldigde kinderalimentatietermijnen, maandelijks met een bedrag van maximaal € 25,- per kind per maand;
compenseert de kosten van het hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.A.F. Veenstra en M.H.F. van Vugt, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.