ECLI:NL:GHARL:2026:846

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.358.635/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen gebiedsverbod en contactverbod na overlijden familielid

In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een vonnis van de voorzieningenrechter dat een gebiedsverbod en contactverbod oplegde aan appellant en zijn familielid na het overlijden van een familielid. De voorzieningenrechter had appellant verboden zich te begeven in de woonomgeving van geïntimeerde en rondom een school, met een verbod op contact en openbaarmaking van informatie over geïntimeerde en haar kinderen.

Appellant voerde aan dat het gebiedsverbod zijn werkzaamheden voor klanten in het gebied belemmert en dat hij open dagen van scholen wil bezoeken met zijn zoon. Het hof erkent het belang van appellant, maar weegt dit minder zwaar dan het belang van geïntimeerde en haar kinderen voor veiligheid en rust, vooral gezien de onrust en stress veroorzaakt door appellant na het overlijden van zijn broer.

Het hof beperkt het gebiedsverbod tot het noordelijke deel van het gebied, inclusief een specifieke straat waar de kinderen spelen, en maakt uitzonderingen voor open dagen van scholen onder voorwaarden. Ook wordt het gebiedsverbod rondom de school aangepast met uitzonderingen voor weekenden, vakanties en bepaalde tijdstippen, en het gebruik van een doorgaande weg met de auto. Het contactverbod en overige verboden worden bekrachtigd. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Het hof beperkt het gebiedsverbod tegen appellant met uitzonderingen voor werk en schoolbezoeken en bekrachtigt het contactverbod en overige maatregelen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.358.635/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200430
arrest in kort geding van 10 februari 2026
in de zaak van
[appellant]( [appellant] ),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: voorheen mr. A.H. Loos-Horstman in Drachten, nu mr. T.W. Delhaye in Leeuwarden,
en
[geïntimeerde]( [geïntimeerde] ),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. J. Verdonk in Heerenveen.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis (hierna: het bestreden vonnis) dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), op 21 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met daarbij de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord;
  • de stukken namens [appellant] van 9 januari 2026.
1.2.
Op 15 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat;
- [geïntimeerde] , bijgestaan door haar advocaat.

2.De kern van de zaak

2.1.
[geïntimeerde] is op 7 augustus 2015 gehuwd met [naam1] . Zij zijn de ouders van:
- [naam2] , geboren op 1 februari 2013;
- [naam3] , geboren op 2 december 2014;
- [naam4] , geboren op 13 oktober 2020
(hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).
2.2.
Uit een eerdere relatie heeft [naam1] twee dochters:
- [naam5] , geboren op 1 november 2005;
- [naam6] , geboren op 7 januari 2008.
[naam6] is in 2023 volledig bij [geïntimeerde] en [naam1] komen wonen.
2.3.
Op 8 juli 2024 is [naam1] door suïcide overleden.
2.4.
De ouders van [naam1] zijn [naam7] (gedaagde in eerste aanleg) en [naam8] . De broer en zus van [naam1] zijn [appellant] (gedaagde in eerste aanleg en appellant) en [naam9] .
2.5.
[geïntimeerde] heeft op 19 juni 2025 de voorzieningenrechter (in conventie) - voor zover hier van belang - gevorderd om:
I. [naam7] en [appellant] te verbieden zich te begeven en op te houden in de directe woonomgeving van [geïntimeerde] , de school van de kinderen en de plek waar de kinderen buitenspelen, in de [adres1] te [woonplaats2] , zoals aangegeven op de kaart in productie 14, voor de duur van twee jaren, te rekenen vanaf de dag van de betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding met een maximum van € 50.000,-;
II. [naam7] en [appellant] te verbieden zich te begeven en op te houden binnen een straal van 200 meter rondom het [school1] te [woonplaats2] per 1 september 2025, voor de duur van twee jaren, te rekenen vanaf de dag van de betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding met een maximum van € 50.000,- (…).
2.6.
[appellant] heeft een vordering in reconventie ingesteld bij de voorzieningenrechter.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft als volgt beslist:
in conventie
5.1.
verbiedt [naam7] en [appellant] zich te begeven en op te houden in het gebied in [woonplaats2] zoals aangegeven op de kaart die als productie 14 bij de dagvaarding is ingediend en wordt aangehecht aan dit vonnis, voor de duur van een jaar, te rekenen vanaf de dag van betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding met een maximum van € 50.000,-;
5.2.
verbiedt [naam7] en [appellant] zich te begeven en op te houden binnen een straal van 200 meter rondom het [school1] in [woonplaats2] op en na 1 september 2025, voor de duur van een jaar, te rekenen vanaf de dag van betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding met een maximum van € 50.000,-;
5.3.
verbiedt [naam7] en [appellant] op enigerlei wijze, waaronder mede begrepen mondeling, telefonisch, schriftelijk, via internet en/of sociale media (waaronder begrepen maar niet uitsluitend WhatsApp, Facebook, Instagram, Twitter, Telegram en Snapchat) direct en indirect contact te leggen met [geïntimeerde] en de kinderen, voor de duur van een jaar, te rekenen vanaf de dag van betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per overtreding met een maximum van € 25.000,-;
5.4.
verbiedt [naam7] en [appellant] informatie, berichten en meningen over [geïntimeerde] en de kinderen openbaar te maken via elk bekend openbaar elektronisch medium, waaronder Instagram, Snapchat, Facebook en/of YouTube, waarbij het [naam7] en [appellant] tevens is verboden om overeenkomstig informatie, meningen en berichten over en gericht tegen [geïntimeerde] en de kinderen openbaar te maken waarbij zij hen noemen bij hun eigen naam, of op elke andere wijze waaruit de verwijzing naar [geïntimeerde] en/of de kinderen kennelijk volgt, voor de duur van een jaar, te rekenen vanaf de dag van betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per overtreding met een maximum van € 25.000,-;
5.5.
gebiedt [naam7] en [appellant] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis alle berichten/publicaties over [geïntimeerde] en de kinderen, waarbij zij hen noemen bij hun eigen naam, of op elke andere wijze waaruit de verwijzing naar [geïntimeerde] en/of haar kinderen kennelijk volgt op sociale media te verwijderen, waaronder Facebook, Instagram en YouTube, in het algemeen of specifiek gericht tot iedere andere persoon uit haar directe omgeving, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag na betekening van dit vonnis dat [naam7] en [appellant] niet hebben voldaan aan dit gebod, met een maximum van € 25.000,-;
in reconventie
5.6.
gebiedt [geïntimeerde] om binnen 10 dagen na betekening van het vonnis alle berichten / publicaties over [appellant] te verwijderen op sociale media en zich voorts te onthouden van het plaatsen van berichten op sociale media die op directe dan wel indirecte wijze betrekking hebben op [appellant] op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per overtreding met een maximum van € 25.000,-;
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.9.
wijst af het meer of anders gevorderde.
2.8.
In hoger beroep heeft [appellant] gevorderd dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog deels worden afgewezen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de vorderingen van [geïntimeerde] onder I en II (gebiedsverboden voor de woonomgeving van [geïntimeerde] en rondom het [school1] ) alsnog worden afgewezen voor zover deze zien op hem, behalve voor zover het gebiedsverbod ziet op de [adres2] in [woonplaats2] (zijnde de straat waar [geïntimeerde] woont).
[appellant] wil op werkdagen tijdens werkuren (07.00 uur tot 17.00 uur) het gebied kunnen betreden voor zijn werkzaamheden voor zijn zonweringsbedrijf. Daarnaast wil hij met zijn zoon, die nu in groep 8 van de basisschool zit, open dagen van middelbare scholen, waaronder het [school1] en [school2] , kunnen bezoeken.
2.9.
[geïntimeerde] heeft in hoger beroep haar vordering onder II aangepast, in die zin dat zij ermee instemt dat [appellant] wordt toegelaten om de [N-weg] rond het [school1] , voor zover binnen het gebiedsverbod gelegen, met de auto te gebruiken als doorgaande weg zonder daarbij te stoppen en/of stil te staan en/of daarbij op enige wijze contact te zoeken of leggen met [geïntimeerde] en/of haar kinderen.
[geïntimeerde] heeft het hof gevraagd om het bestreden vonnis voor het overige te bekrachtigen en de proceskosten te compenseren dan wel, voor zover wel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken, [appellant] te veroordelen in de proceskosten.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Spoedeisend belang
3.1.
Het hof ziet in de aard van de zaak, te weten het al dan niet opleggen van een gebiedsverbod, een voldoende spoedeisend belang.
Oordeel en overwegingen
3.2.
Het hoger beroep richt zich tegen de beslissingen onder 5.1 en 5.2 in het bestreden vonnis voor zover het [appellant] betreft. Het hof zal die beslissingen hierna achtereenvolgens bespreken.
Gebiedsverbod voor woonomgeving van [geïntimeerde] (beslissing 5.1 bestreden vonnis)
3.3.
De voorzieningenrechter heeft onder 5.1 in het bestreden vonnis - voor zover hier van belang - [appellant] verboden om zich te begeven en op te houden in het gebied in [woonplaats2] , zoals aangegeven op de kaart die als productie 14 bij de dagvaarding is ingediend en is aangehecht aan het vonnis.
Het hof is van oordeel dat voor een deel - te weten de omvang van het gebied - anders beslist moet worden. Het hof zal dat hierna toelichten.
3.4.
[appellant] heeft in hoger beroep (net als in eerste aanleg) zich op het standpunt gesteld dat - kort gezegd - hij een eenmansbedrijf heeft (een zonweringsbedrijf) en dat verschillende klanten van hem in het betreffende gebied wonen. Door het opgelegde gebiedsverbod kan hij geen werkzaamheden meer verrichten voor deze klanten.
3.5.
Het hof is van oordeel dat dit belang van [appellant] voor de directe woonomgeving van [geïntimeerde] en haar kinderen minder zwaar weegt dan het belang van [geïntimeerde] en haar kinderen om voor hun veiligheid en rust niet in hun woonomgeving met [appellant] te kunnen worden geconfronteerd. Vooral de kinderen moeten zich in hun woonomgeving vrij kunnen bewegen en buiten kunnen spelen. Na het overlijden van [naam1] (de broer van [appellant] en de vader van de kinderen van [geïntimeerde] ) heeft [appellant] zich langere tijd op een dusdanige manier gedragen dat dit veel onrust, stress en een gevoel van onveiligheid heeft veroorzaakt bij [geïntimeerde] en de kinderen. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] onbetwist verklaard dat de kinderen nu therapie krijgen om te verwerken wat zij hebben meegemaakt. Het hof acht het van belang dat de kinderen nu de rust en ruimte krijgen om deze therapie te volgen en dat zij, en hun hoofdverzorger [geïntimeerde] , niet in angst hoeven te leven dat zij in hun woonomgeving kunnen worden geconfronteerd met [appellant] .
Het hof ziet wel aanleiding om het betreffende gebied te verkleinen. Het gebiedsverbod betreft een maatregel die de bewegingsvrijheid van [appellant] beperkt. Namens [geïntimeerde] is verklaard dat vooral de [adres3] in het verbod begrepen moet zijn, maar dat [appellant] zich eventueel ten zuiden van de [adres3] kan bewegen. Bovendien heeft [appellant] verklaard dat hij juist in het gebied ten zuiden van de [adres3] is opgegroeid en dat hij daar nog altijd een groot netwerk heeft dat hij kent vanuit zijn jeugd. Het hof zal daarom het gebiedsverbod beperken tot het noordelijke deel van het gebied waarvoor de voorzieningenrechter een gebiedsverbod heeft vastgelegd, zoals aangegeven op de kaart die is aangehecht aan dit arrest. Dit gebied is gebaseerd op het gebied dat [geïntimeerde] op de kaart had aangegeven die als productie 14 bij de dagvaarding in eerste aanleg was ingediend, maar dan beperkt tot het gebied ten noorden van de [adres3] ,
inclusiefde [adres3] zelf. Ter zitting heeft [geïntimeerde] namelijk verklaard dat de kinderen spelen in een gebied waar zij uitkijken op de [adres3] en dat [geïntimeerde] en de kinderen ook bij de [adres3] komen wanneer zij hun hond uitlaten. Het hof acht het daarom van belang dat het gebiedsverbod ook geldt voor de [adres3] . Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat [appellant] via andere straten naar het gebied ten zuiden van de [adres3] kan rijden.
3.6.
In het gebied waarvoor het verbod geldt, ligt de middelbare school [school2] . [appellant] heeft aangevoerd dat hij met zijn zoon, die nu in groep 8 van de basisschool zit, open dagen of andere informatieavonden en/of kennismakingsactiviteiten van [school2] wil bezoeken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hierover afspraken gemaakt. Zij zijn overeengekomen dat het door de voorzieningenrechter opgelegde gebiedsverbod voor het gebied rondom [school2] blijft gelden, behalve op de dagen dat [school2] een open dag heeft, met dien verstande dat [appellant] via zijn advocaat aan [geïntimeerde] laat weten welke dag hij naar de open dag gaat en in welk tijdvak.
Het hof zal deze overeenstemming beschouwen als een vermindering van haar vordering door [geïntimeerde] . Het hof zal deze aangepaste vordering toewijzen en hierna onder ‘4. De beslissing’ vermelden.
3.7.
Het hof is verder van oordeel dat de voorzieningenrechter terecht een dwangsom heeft verbonden aan het gebiedsverbod. Het hof is er, evenals de voorzieningenrechter, gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen niet van overtuigd dat [appellant] zich zal houden aan het gebiedsverbod indien geen dwangsom zal worden opgelegd.
Gebiedsverbod voor het gebied rondom het [school1] in [woonplaats2] (beslissing 5.2 bestreden vonnis)
3.8.
De voorzieningenrechter heeft onder 5.2 in het bestreden vonnis - voor zover hier van belang - [appellant] verboden zich te begeven en op te houden binnen een straal van 200 meter rondom het [school1] in [woonplaats2] .
3.9.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen de volgende afspraken gemaakt: a) het door de voorzieningenrechter opgelegde gebiedsverbod geldt niet voor [appellant] in de weekenden, de schoolvakanties en op doordeweekse dagen vanaf 18.00 uur. Wanneer [appellant] op een doordeweekse dag vanaf 17.00 uur bij de [adres4] moet zijn voor een activiteit, dan meldt hij dat via zijn advocaat aan [geïntimeerde] . Wanneer de zoon van [geïntimeerde] ( [naam2] , die op het [school1] onderwijs volgt) op de betreffende dag een buitenschoolse activiteit heeft, prevaleert dat en zal het gebiedsverbod voor [appellant] gelden tot 18.00 uur. Wanneer [naam2] geen buitenschoolse activiteit heeft, geldt het gebiedsverbod in dat geval tot 17.00 uur;
b) het door de voorzieningenrechter opgelegde gebiedsverbod geldt ook niet op de dagen dat het [school1] een open dag heeft, met dien verstande dat [appellant] via zijn advocaat aan [geïntimeerde] laat weten welke dag hij naar de open dag gaat en in welk tijdvak;
c) het is [appellant] toegestaan om de weg [N-weg] rond het [school1] , voor zover binnen het gebiedsverbod gelegen, met de auto te gebruiken als doorgaande weg zonder daarbij te stoppen en/of stil te staan en/of daarbij op enige wijze contact te zoeken of leggen met [geïntimeerde] en/of haar kinderen.
3.10.
Het hof zal deze overeenstemming beschouwen als een vermindering van haar vordering door [geïntimeerde] . Het hof zal deze aangepaste vordering toewijzen en hierna onder
‘4. De beslissing’ vermelden.
Mediation
3.11.
Ten overvloede overweegt het hof als volgt. [geïntimeerde] heeft ter zitting verklaard dat zij op dit moment emotioneel gezien nog geen ruimte heeft en niet in staat is om in mediation te gaan met [appellant] . Zij staat er wel voor open om tegen de tijd dat de termijnen van de gebiedsverboden verstrijken, te bekijken of het een mogelijkheid is om door middel van mediation of andere hulpverlening de verstandhouding tussen partijen te verbeteren. Het hof spreekt net als de voorzieningenrechter de hoop uit dat partijen in de periode van de gebiedsverboden eraan toekomen om te verwerken wat er de afgelopen jaren is gebeurd en dat zij na afloop van die periode een manier kunnen vinden - ook in het belang van de kinderen - om met elkaar verder te kunnen gaan in een betere verstandhouding.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.12.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
Proceskosten
3.13.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen.
Conclusie
3.14.
Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen, zal het hof (ook om doelmatigheidsredenen) het bestreden vonnis vernietigen voor zover het de beslissingen ten aanzien van [appellant] onder 5.1 en 5.2 betreft en opnieuw beslissen zoals hierna onder ‘4. De beslissing’ wordt vermeld. Het hof zal - omdat de vernietiging grotendeels is gebaseerd op door partijen ter zitting gemaakte afspraken - het vonnis vernietigen met ingang van de zittingsdatum (15 januari 2026).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 juli 2025 met ingang van 15 januari 2026 voor zover het de beslissingen ten aanzien van [appellant] onder 5.1 en 5.2 betreft, en beslist als volgt:
4.2.
verbiedt [appellant] zich te begeven en op te houden in het gebied in [woonplaats2] zoals aangegeven op de kaart die wordt aangehecht aan dit arrest zijnde het gebied ten noorden van de [adres3] ,
inclusiefde [adres3] , met ingang van 15 januari 2026 en eindigend een jaar vanaf de dag van betekening van het vonnis van de voorzieningenrechter van 21 juli 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding met een maximum van € 50.000,-. Dit verbod geldt niet op de dagen dat [school2] een open dag heeft, met dien verstande dat [appellant] via zijn advocaat aan [geïntimeerde] laat weten welke dag hij naar de open dag gaat en in welk tijdvak;
4.3.
verbiedt [appellant] zich te begeven en op te houden binnen een straal van 200 meter rondom het [school1] in [woonplaats2] met ingang van 15 januari 2026 en eindigend een jaar na 1 september 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding met een maximum van € 50.000,-. Hierbij gelden de volgende uitzonderingen:
a. a) het gebiedsverbod geldt niet in de weekenden, de schoolvakanties en op doordeweekse dagen vanaf 18.00 uur. Wanneer [appellant] op een doordeweekse dag vanaf 17.00 uur bij de [adres4] moet zijn voor een activiteit, dan meldt hij dat via zijn advocaat aan [geïntimeerde] . Wanneer de zoon van [geïntimeerde] ( [naam2] , die op het [school1] onderwijs volgt) op de betreffende dag een buitenschoolse activiteit heeft, prevaleert dat en zal het gebiedsverbod voor [appellant] gelden tot 18.00 uur. Wanneer [naam2] geen buitenschoolse activiteit heeft, geldt het gebiedsverbod in dat geval tot 17.00 uur;
b) het gebiedsverbod geldt niet op de dagen dat het [school1] een open dag heeft, met dien verstande dat [appellant] via zijn advocaat aan [geïntimeerde] laat weten welke dag hij naar de open dag gaat en in welk tijdvak;
c) het is [appellant] toegestaan om de weg [N-weg] rond het [school1] , voor zover binnen het gebiedsverbod gelegen, met de auto te gebruiken als doorgaande weg zonder daarbij te stoppen en/of stil te staan en/of daarbij op enige wijze contact te zoeken of leggen met [geïntimeerde] en/of haar kinderen;
4.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 juli 2025 voor het overige voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
4.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. de Jong - de Goede, C. Coster en S. Rezel, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.