ECLI:NL:GHARL:2026:886

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
21-002829-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38v SrArt. 38w SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 138 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: veroordeling bedreiging, belediging, lokaalvredebreuk en mishandeling met gevangenisstraf en locatieverbod

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor meerdere strafbare feiten waaronder bedreiging met een misdrijf tegen het leven, belediging van ambtenaren, meermalen lokaalvredebreuk en mishandeling. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht.

Het hof achtte de bedreiging op 1 februari 2025 aan een beveiliger in een winkelcentrum wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van verklaringen van het slachtoffer en een getuige. Ook werd bewezen dat verdachte op 7 februari 2025 wederrechtelijk een besloten lokaal van een basisschool betrad ondanks een eerder opgelegd toegangverbod. Daarnaast werd bewezen dat verdachte twee agenten beledigde tijdens hun rechtmatige bediening en dat hij op 9 oktober 2024 mishandeling pleegde.

De strafrechtelijke beoordeling leidde tot een gevangenisstraf van 131 dagen met aftrek van voorarrest. Tevens legde het hof een maatregel tot beperking van de vrijheid op, bestaande uit een locatieverbod voor het schoolgebouw en terrein voor de duur van één jaar, met dadelijke uitvoerbaarheid en vervangende hechtenis bij overtreding. De proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf werd met één jaar verlengd. Het hof motiveerde de straf mede door het strafblad van verdachte, het recidiverisico en het advies van de reclassering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 131 dagen gevangenisstraf en een locatieverbod van één jaar met verlenging van de proeftijd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002829-25
Uitspraakdatum: 16 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 juni 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-041387-25 en 08-010673-25, 08-321932-24, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 21-000588-23, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats]
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 2 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
  • veroordeling van verdachte voor de ten laste gelegde feiten (kort gezegd: mishandeling, bedreiging, belediging en twee keer lokaalvredebreuk) tot een gevangenisstraf van 131 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;
  • continuering van de door de rechtbank opgelegde maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een locatieverbod ten aanzien van het schoolterrein van [basisschool] in [plaats] ;
  • verlenging van de proeftijd van de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke straf met het parketnummer 21-000588-23.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. K. Meijer, heeft aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft, zoals volgt uit het hiervoor genoemde vonnis waartegen het hoger beroep gericht is:
  • verdachte veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten tot een gevangenisstraf van 131 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;
  • de maatregel van artikel 38v Sr opgelegd, inhoudende een locatieverbod, en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen;
  • het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van de opgelegde vrijheidsstraf;
  • de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21-000588-23 toegewezen.
Het hof komt in dit arrest tot een enigszins andere beslissing ten aanzien van de bewezenverklaring dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 08-041387-25:
1.
hij op of omstreeks 1 februari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jou prikken. Ik ga jou dood maken als ik je tegenkom in het winkelcentrum. Jij hebt mij dat winkelverbod gegegeven", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2.
hij op of omstreeks 7 februari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [ambtenaar 1] en/of [ambtenaar 2] (beiden werkzaam als agent bij de Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "Jij moet je bek houden kankerhoertje, kankerlijer en/of hoerenzoon", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 7 februari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk is binnengedrongen in het besloten lokaal op/aan de [adres 2] in gebruik bij de [basisschool] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, immers was hem, verdachte, met ingang van 6 februari 2025 schriftelijk de toegang tot dat besloten lokaal ontzegd voor de duur van zes maanden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 februari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten [basisschool] wederrechtelijk is binnengedrongen;
Zaak met parketnummer 08-321932-24 (gevoegd):
hij op of omstreeks 9 oktober 2024 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] in/op/tegen het gezicht en/of op/tegen de schouder, althans het lichaam te slaan
Zaak met parketnummer 08-010673-25 (gevoegd):
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te [plaats] in het besloten lokaal, te weten een Winkelcentrum, gelegen op/aan de [adres 3] en bij Winkelcentrum [winkelcentrum] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 10 januari 2025 schriftelijk de toegang tot dat Winkelcentrum ontzegd voor de duur van 24 maanden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen feiten 1 en 3 in de zaak met parketnummer 08-041387-25

Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit (de bedreiging) geldt dat de verklaring van de echtgenote van aangever onvoldoende betrouwbaar is nu zij op een afstand van verdachte en aangever stond, terwijl daar ook nog een drukke weg tussen zat. Verder is er geen wettig en overtuigend bewijs beschikbaar dat de aangifte ondersteunt.
Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde feit (lokaalvredebreuk) voert zij aan dat de school een lokaal is bestemd voor een openbare dienst en dus geen besloten lokaal betreft. Wat betreft het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van het hof.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat voor beide feiten voldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest. In aanvulling hierop is vooral het volgende van belang.
Ten aanzien van feit 1
Het hof stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting het volgende vast.
Aangever [slachtoffer 1] , werkzaam in winkelcentrum [winkelcentrum] , kwam verdachte op 1 februari 2025 tegen op de [straat] te [plaats] ; in de buurt van dat winkelcentrum. Verdachte keek hem aan en schreeuwde meerdere keren: “Ik ga jou prikken. Ik ga jou dood maken als ik je tegenkom in het winkelcentrum. Jij hebt mij dat winkelverbod gegeven.” [slachtoffer 1] was bang dat verdachte hem iets aan wilde doen. De echtgenote van aangever, getuige [getuige] , stond op dat moment aan de overkant van de weg. Zij heeft verklaard dat ze hoorde dat verdachte schreeuwde dat hij [slachtoffer 1] ging prikken en dood zou maken.
Het hof is, met de rechtbank en anders dan de verdediging, van oordeel dat de aangifte en de getuigenverklaring op essentiële punten overeenkomen; zo verklaren ze beiden over verdachte die schreeuwde en komt de inhoud van verdachte’s bewoordingen overeen. Van belang daarbij is verder dat getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte zo hard schreeuwde dat mensen die op de fiets passeerden hierdoor omkeken. Het hof heeft onder deze omstandigheden geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van wat [getuige] heeft verklaard.
Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 1 februari 2025 [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.
Ten aanzien van feit 3
Het hof stelt op grond van het dossier en wat op de zitting is besproken het volgende vast.
Op 6 februari 2025 kreeg verdachte een brief overhandigd van de directrice van [basisschool] ’ (hierna: OBS) in [plaats] , waarin stond dat hem de toegang tot het schoolgebouw, alsmede het schoolterrein van de OBS met ingang van die datum werd ontzegd voor de duur van zes maanden. De brief werd aan verdachte uitgereikt in het bijzijn van twee verbalisanten. Een dag later, op 7 februari 2025, stond verdachte vervolgens onaangekondigd in het schoolgebouw bij het kantoor van de directrice. Op camerabeelden van de school is te zien dat verdachte op die dag omstreeks 13:53 uur de school binnenliep en omstreeks 14:02 uur het pand weer verliet. Namens de school is aangifte gedaan van lokaalvredebreuk.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van een “besloten lokaal” als bedoeld in artikel 138, eerste lid, Sr is sprake indien een lokaal – dat niet voor de openbare dienst is bestemd – kenbaar van de omgeving is afgescheiden. Dit betekent niet afgesloten, maar de gebouwen of het erf moeten kenbaar van de openbare ruimte afgescheiden zijn.
Het hof verwerpt het verweer dat de basisschool geen besloten lokaal in de zin van artikel 138 Sr Pro zou betreffen. De school is als zodanig kenbaar van de omgeving afgescheiden. Deze is naar zijn aard bestemd voor gebruik door de leerlingen, ouders en/of verzorgers die daar mogen komen en medewerkers van de school. Zo bezien is een school naar het oordeel van het hof niet voor iedereen opengesteld. Hieraan doet niet af dat het schoolgebouw mogelijk niet is afgesloten en dus feitelijk toegankelijk is voor anderen dan de genoemde personen. Verdachte had een brief ontvangen waarin stond dat hem de toegang tot het schoolgebouw en ook het schoolterrein werd ontzegd. Verdachte mocht daar dus niet komen.
Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 februari 2025 wederrechtelijk is binnengedrongen in het besloten lokaal in gebruik bij de [basisschool] . Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-041387-25 onder 1, 2 en 3 primair en in de zaak met parketnummer 08-321932-24 en in de zaak met parketnummer 08-010673-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 08-041387-25:
1.
hij op 1 februari 2025 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jou prikken. Ik ga jou dood maken als ik je tegenkom in het winkelcentrum. Jij hebt mij dat winkelverbod gegeven";
2.
hij op 7 februari 2025 in Nederland, opzettelijk ambtenaren, te weten [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] (beiden werkzaam als agent bij de Eenheid Oost-Nederland), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door [ambtenaar 1] de woorden toe te voegen: "Jij moet je bek houden kankerhoertje", en door [ambtenaar 2] de woorden toe te voegen: "Kankerlijer, boerenzoon";
3. primair
hij op 7 februari 2025 te [plaats] , wederrechtelijk is binnengedrongen in het besloten lokaal aan [adres 2] in gebruik bij de [basisschool] , immers was hem, verdachte, met ingang van 6 februari 2025 schriftelijk de toegang tot dat besloten lokaal ontzegd voor de duur van zes maanden.
Zaak met parketnummer 08-321932-24 (gevoegd):
1.
hij 9 oktober 2024 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] in het gezicht en tegen de schouder te slaan.
Zaak met parketnummer 08-010673-25 (gevoegd):
1.
hij op 11 januari 2025 te [plaats] in het besloten lokaal, te weten een winkelcentrum, gelegen aan de [adres 3] , wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 10 januari 2025 schriftelijk de toegang tot dat winkelcentrum ontzegd voor de duur van 24 maanden.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 08-041387-25 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het in de zaak met parketnummer 08-041387-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd
Het in de zaak met parketnummer 08-041387-25 onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Het in de zaak met parketnummer 08-321932-24 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 08-010673-25 bewezenverklaarde levert op:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het leven van verdachte is stabieler en het gaat inmiddels een stuk beter met hem.
Verder heeft de raadsvrouw verzocht om geen locatieverbod ten aanzien van de school op te leggen. De meldingen van overlastgevend gedrag door verdachte zijn van eind 2024 en begin 2025. Nadien zijn er geen nieuwe meldingen meer bij gekomen. Verdachte heeft zich niet meer rondom de school bevonden waardoor gesteld kan worden dat er geen concreet recidiverisico is op dit moment. De door de rechtbank opgelegde maatregel is daarom niet meer noodzakelijk.
Het oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft in een periode van vier maanden meerdere strafbare feiten gepleegd. Zo heeft hij zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van een medewerker van woningcorporatie en een bedreiging van een beveiliger bij een winkelcentrum die hem aansprak op een winkelverbod, alsmede de belediging van twee agenten. Ook heeft hij tweemaal lokaalvredebreuk gepleegd, waaronder in een school. Naar het oordeel van het hof betreft het ernstige, zeer hinderlijke en overlastgevende feiten. Deze feiten veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid bij de betrokkenen en getuigen die dergelijke feiten waarnemen.
Persoon van verdachte
Bij de op te leggen straf heeft het hof gekeken naar het strafblad van verdachte van 29 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder voor soortgelijke strafbare feiten. Deze omstandigheid weegt het hof in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging. Ten tijde van het plegen van onderhavige feiten, liep verdachte bovendien in een proeftijd (inzake parketnummer
21-000588-23). Dit heeft verdachte niet ervan weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.
Voor wat betreft de persoon van verdachte houdt het hof ook rekening met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 18 februari 2025. Hieruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een patroon ten aanzien van geweld- en agressiedelicten. Er wordt door de reclassering een psychi(atri)sche afglijding gezien waarbij verdachte veelal overlastgevend gedrag laat zien van bedreigende aard
Verdachte is al langere periode in beeld bij zorg- en hulpverleningsinstellingen. Er is gepoogd toe te werken naar stabilisatie op de verschillende leefgebieden. Die ingezette interventies stagneerden echter tot op heden. Er is onvoldoende zicht op de huidige psychi(atri)sche problematiek van verdachte, omdat hij weigert mee te werken aan diagnostiek en behandeling, waardoor er geen passend behandel- of begeleidingsplan opgesteld is. De reclassering schat het recidiverisico hoog in en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij ziet door de opstelling van verdachte geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
Op te leggen straf
Gelet op de veelheid en ernst van de feiten, het strafblad van verdachte, en het voornoemde advies van de reclassering acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
Het hof legt aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 131 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze straf heeft verdachte al in voorlopige hechtenis uitgezeten. Dit betekent in dit geval dat verdachte voor deze zaak niet meer komt vast te zitten.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)
Het hof zal, anders dan de raadsvrouw heeft verzocht, gelet op het overlastgevende gedrag van verdachte in het verleden en ter voorkoming van toekomstige strafbare feiten, aan verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen. Deze maatregel behelst een locatieverbod. Het wordt verdachte verboden zich op te houden in het schoolgebouw, alsmede het schoolterrein van [basisschool] gelegen aan [adres 2] te [plaats] . Het hof legt dit verbod op voor de duur van één jaar. Voor iedere keer dat verdachte dit verbod overtreedt, zal een vervangende hechtenis van de hierna bepaalde duur worden opgelegd. Dat verdachte zich niet meer rondom de school heeft bevonden, laat naar het oordeel van het hof zien dat de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel blijkbaar het gewenste resultaat heeft.
Het hof zal net als de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen, gezien het feit dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt, maar daarbij bepalen dat de totale duur van de maatregel niet langer zal zijn dan één jaar. Het hof zal bevelen dat de tijd die verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 21-000588-23 is verdachte op 23 oktober 2024 door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 60 dagen, met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Bij het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen.
Op grond van wat over verdachte bij het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, ziet het hof aanleiding de bij dat arrest vastgestelde proeftijd met één jaar te verlengen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 38v, 38w, 57, 63, 138, 266, 267, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-041387-25 onder 1, 2 en 3 primair en in de zaak met parketnummer 08-321932-24 en in de zaak met parketnummer 08-010673-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-041387-25 onder 1, 2 en 3 primair en in de zaak met parketnummer 08-321932-24 en in de zaak met parketnummer 08-010673-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
131 (honderdeenendertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 1 jaar zich niet mag begeven in het schoolgebouw, alsmede op het schoolterrein van [basisschool] gelegen aan [adres 2] te [plaats] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 oktober 2024 parketnummer 21-000588-23, met een termijn van 1 (één) jaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 1 november 2024 onder CJIB nummer 7132542005634701.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Godthelp, mr. M.C. Fuhler en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 16 februari 2026.