ECLI:NL:GHARL:2026:892

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
200.362.063/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 8 EVRMArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige bevestigd door gerechtshof

De minderjarige, geboren in 2011, is sinds juni 2024 uit huis geplaatst en woont in een netwerkpleeggezin. De moeder, die het gezag heeft, is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en gaat in hoger beroep. De kinderrechter had de machtiging verlengd tot 11 september 2026.

Het hof oordeelt dat de verlenging terecht is omdat de minderjarige nog niet thuis kan wonen. De moeder is momenteel niet in staat een veilig en continu opvoedingsklimaat te bieden. De minderjarige weigert contact met de moeder vanwege eigen ervaringen en onverwerkte pijn. De GI houdt contactopbouw met de moeder als aandachtspunt, maar de minderjarige wil geen contact.

De minderjarige ontwikkelt zich goed in het pleeggezin, met positieve emotionele en onderwijsresultaten. Het hof weegt de zorgen van de moeder over neutraliteit van het pleeggezin af tegen het belang van de minderjarige en concludeert dat de verlenging noodzakelijk is. De moeder beroept zich op EVRM en IVRK, maar het hof acht de uithuisplaatsing niet in strijd met deze verdragsbepalingen.

Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 11 september 2026 wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
,afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.362.063/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 152814
beschikking van 12 februari 2026
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige]( [de minderjarige] ),
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont op een geheim te houden adres,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel(de GI),
gevestigd te Zwolle,
en (als overige belanghebbenden):
[belanghebbende1]en
[belanghebbende2](de pleegouders),
die wonen op een geheim te houden adres.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft, voor zover in hoger beroep van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd tot 11 september 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is geboren [in] 2011. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] staat sinds 12 juni 2024 onder toezicht van de GI. Zij woont sindsdien met machtiging van de kinderrechter in een netwerkpleeggezin, te weten het gezin van haar voormalige stiefvader. De halfzus van [de minderjarige] woont ook in dit netwerkpleeggezin en zij is een kind van de stiefvader van [de minderjarige] .
2.3.
Er is op dit moment geen omgang tussen [de minderjarige] en haar moeder.
De GI heeft de moeder op 3 april 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven, die inhoudt dat de (fysieke) contacten tussen de moeder en [de minderjarige] tijdelijk worden stopgezet en langzaam zullen worden opgebouwd als [de minderjarige] daaraan toe is. De moeder heeft de kinderrechter verzocht deze schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren, maar de kinderrechter heeft dit verzoek van de moeder afgewezen. De kinderrechter heeft daarbij tevens bepaald dat het door de moeder gewenste contactherstel tussen haar en [de minderjarige] onder regie van de GI moet plaatsvinden met inachtneming van het tempo en de belangen van [de minderjarige] .
Deze beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 9 september 2025.
2.4.
[de minderjarige] is een lange periode niet naar school geweest, terwijl zij leerplichtig was.
Op 13 november 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland de GI gedeeltelijk met het gezag over [de minderjarige] belast wat betreft de aanmelding bij een onderwijsinstelling.
Sinds november 2025 gaat [de minderjarige] weer naar school.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht de lopende ondertoezichtstelling te verlengen met een jaar. De kinderrechter heeft het verzoek toegewezen en de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 11 september 2026.
3.2.
De GI heeft daarnaast verzocht [de minderjarige] nog langer uit huis te mogen plaatsen. De kinderrechter heeft ook dat verzoek van de GI toegewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 11 september 2026.
3.3.
Die beslissingen zijn mondeling gegeven op 26 augustus 2025 en op schrift gesteld op 9 september 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met genoemde beschikking van de kinderrechter van 26 augustus 2025. Zij komt daarvan in hoger beroep. Het hoger beroep gaat (alleen) over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder wil dat het hof deze beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt of de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor een kortere periode verlengt.
4.2.
De GI wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift, bij het hof binnengekomen op 25 november 2025;
- de stukken van de moeder, ingediend op 2 december 2025;
- het verweerschrift van de GI;
- de stukken van de moeder, ingediend op 6 januari 2026;
- de brief van de raad van 8 januari 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
4.4.
[de minderjarige] heeft op 19 januari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing. De voorzitter heeft op de mondelinge behandeling een korte samenvatting van dit gesprek gegeven.
4.5.
De zitting bij het hof was op 20 januari 2026. Aanwezig waren:
- namens de moeder mr. Pool; en
- twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het hof is, net als de kinderrechter, van oordeel dat de machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 11 september 2026 moet worden verlengd, omdat [de minderjarige] nog niet thuis kan wonen. De beslissing van de kinderrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof vindt dat de kinderrechter goed heeft uitgelegd welke ontwikkelingsbedreiging er voor [de minderjarige] bestaat en waarom de uithuisplaatsing in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Het hof neemt die uitleg daarom over. Het hof vult deze op bepaalde punten nog aan.
5.3.
[de minderjarige] is in 2024 uit huis geplaatst omdat er grote zorgen waren over haar ontwikkeling en haar veiligheid in de opvoedsituatie bij de moeder thuis. De moeder erkent dat het een tijdje niet goed is gegaan in de thuissituatie en dat er zorgen zijn geweest, maar volgens haar zijn deze zorgen inmiddels niet meer aanwezig. Er is volgens haar dan ook geen noodzaak voor een machtiging tot uithuisplaatsing en de moeder ziet [de minderjarige] liefst zo snel mogelijk weer thuis komen wonen. In haar beroepschrift maakt de moeder zich echter vooral zorgen over het huidige gebrekkige contact tussen haar en [de minderjarige] . Zij vreest dat ouderonthechting zal plaatsvinden. Na de uithuisplaatsing is [de minderjarige] totaal uit haar leven verdwenen en de moeder wil graag weer contact en een normale verstandhouding met [de minderjarige] . Ze benadrukt daarbij dat het netwerkpleeggezin, waarin [de minderjarige] verblijft, zich niet neutraal ten opzichte van de moeder opstelt.
5.4.
Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar de toelichtingen. Voor het hof is duidelijk dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . Naar het oordeel van het hof staat vast dat de moeder op dit moment niet in staat is [de minderjarige] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit en de veiligheid in haar dagelijkse verzorging en opvoeding voldoende zijn gewaarborgd. Het hof kijkt hierbij ook naar het zorgwekkende en turbulente verleden. [de minderjarige] weigert nu elke vorm van omgang met de moeder en de GI ziet meerdere aanwijzingen dat deze houding van [de minderjarige] voortkomt uit eigen, doorleefde ervaringen en onverwerkte pijn.
5.5.
Anders dan de moeder stelt, heeft de GI voldoende aandacht voor het contact tussen [de minderjarige] en de moeder en de GI heeft ter zitting bevestigd dat de contactopbouw met de moeder altijd een aandachtspunt zal blijven vanuit de hulpverlening. Feit is echter dat [de minderjarige] op dit moment consistent en duidelijk aangeeft geen contact te willen. Het hof ziet dit ook terug in het gesprek met [de minderjarige] , waarin [de minderjarige] herhaaldelijk heeft uitgesproken geen contact met de moeder te willen en last te hebben van het contact dat de moeder ongevraagd met haar zoekt, onder meer door middel van het sturen van Whatsapp-berichten en door het onverwacht opduiken op plaatsen waar [de minderjarige] is. Zij heeft de moeder verzocht hiermee te stoppen en haar met rust te laten. Zowel [naam1] als de Jeugd en gezinscoach van [de minderjarige] , [naam2] , zegt dat wat betreft de opbouw van contact met de moeder de wens van [de minderjarige] leidend moet zijn. Een geforceerde omgang kan, aldus [naam1] , schadelijke effecten hebben voor haar emotionele ontwikkeling en herstelproces.
Duidelijk is dat [de minderjarige] op dit moment nog geen ruimte heeft kunnen creëren voor herstel. Zij heeft daarvoor onder andere nodig dat de moeder haar erkenning geeft voor hoe zij de situatie bij de moeder thuis heeft ervaren en welke gevoelens dit bij haar los heeft gemaakt, maar die erkenning blijft uit. Het lukt de moeder vooralsnog onvoldoende om te reflecteren op zichzelf en op de situatie. Zij legt de oorzaak van het ontbreken van contact buiten zichzelf, bij de pleegouders en de GI, en het lukt haar niet haar handelen als opvoeder en haar communicatie aan te passen. De moeder zoekt nog steeds veelvuldig contact en belast hiermee niet alleen [de minderjarige] , maar het hele pleeggezin.
5.6.
[de minderjarige] ontwikkelt zich goed in het huidige pleeggezin. Zij is hier enorm gegroeid, zowel op emotioneel gebied als wat betreft onderwijs. Ze heeft in het pleeggezin een veilig plekje waar ze zich prettig voelt. Ook op school gaat het goed. De ontwikkeling van [de minderjarige] was vóór de uithuisplaatsing gestagneerd en zorgwekkend, maar na de plaatsing in het pleeggezin is er sprake van groei, meer ontspanning, schoolgang en basisrust. Het hof acht het niet in haar belang om haar daar weg te halen.
5.7.
De zorg van de moeder over de neutraliteit van het netwerkpleeggezin, geeft het hof geen reden voor een ander oordeel. De vraag is in hoeverre dit gestelde gebrek aan neutraliteit de houding van [de minderjarige] ten opzichte van de moeder op relevante wijze beïnvloedt, aangezien de zus van [de minderjarige] , met wie [de minderjarige] een zeer hechte band heeft, wel contact met de moeder heeft. [de minderjarige] lijkt haar eigen afweging te maken en het netwerkpleeggezin lijkt [de minderjarige] (en haar halfzus) de vrijheid te geven voor die eigen afweging. Los daarvan weegt het mogelijke effect van een eventueel gebrek aan neutraliteit naar het oordeel van het hof niet op tegen de positieve effecten die [de minderjarige] door haar verblijf in het pleeggezin ervaart. Het belang van [de minderjarige] is hier doorslaggevend. Bovendien is, zo heeft de GI uitgelegd, het aantal uren dat de pleegzorgwerker bij het gezin betrokken is, opgehoogd en is er daarnaast een ambulant begeleider aangehaakt om extra uren inzetbaar te zijn in het pleeggezin, dit om de neutraliteit te waarborgen en ook om aandacht te geven aan het systeem van het pleeggezin, dat met de komst van [de minderjarige] groter is geworden. Het hof legt de door de moeder geuite zorg dat [de minderjarige] gevangen zit in het systeem en geen schijn van kans heeft om onbevangen contact met haar moeder te hebben naast zich neer, nu daarvan niet is gebleken.
5.8.
De moeder heeft tot slot een beroep gedaan op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en op artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Zij is van mening dat het recht op ‘family life’ tussen haar en [de minderjarige] door de plaatsing in dit pleeggezin niet wordt gewaarborgd, omdat ze in het pleeggezin een sterke mening hebben over de psychische gesteldheid van de moeder en de moeder vreest dat zij deze mening ook actief naar [de minderjarige] uitdragen, hetgeen aan de thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder in de weg staat.
Het hof overweegt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] weliswaar een inbreuk vormt op het gezinsleven en/of privéleven van de moeder (en [de minderjarige] ), maar dat die inbreuk bij wet is voorzien en in dit geval - nu gebleken is dat alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn -, noodzakelijk wordt geacht in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Opmerking verdient daarbij dat het uiteraard zo is dat het pleeggezin ernaar moet streven om zich voor [de minderjarige] jegens de moeder zo neutraal mogelijk op te stellen, maar duidelijk is dat daar, zoals hiervoor overwogen, voldoende aandacht voor is. De uithuisplaatsing van [de minderjarige] is dan ook niet in strijd met genoemde verdragsbepalingen.
5.9.
Samenvattend is het hof van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is. Er is ook geen reden om de termijn van de uithuisplaatsing te verkorten.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 26 augustus 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 11 september 2026;
6.2.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 12 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.