ECLI:NL:GHARL:2026:899

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.356.991
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a lid 1 BWArtikel 31 Verdrag van IstanbulArtikel 3 IVRKArtikel 19 IVRKArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging voorlopige zorgregeling met dwangsom bij omgang minderjarige

De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over hun in 2023 geboren minderjarige kind, dat bij de moeder woont. De rechtbank stelde een voorlopige zorgregeling vast waarbij de vader twee keer per week een uur begeleide omgang heeft met het kind, onder begeleiding van een professionele organisatie, met een dwangsom voor niet-naleving.

De moeder is het niet eens met de regeling en verzoekt het hof om aanvullende voorwaarden te verbinden, zoals een andere begeleider, video-opnames van de omgang en het betrekken van verdragsrechtelijke verplichtingen vanwege zorgen over veiligheid en vermeende intieme terreur door de vader.

Het hof oordeelt dat de moeder geen bezwaar heeft tegen de regeling zelf, maar alleen tegen de voorwaarden. De raad voor de kinderbescherming rapporteert dat de omgang goed verloopt en veilig is. Het hof ziet geen juridische grondslag voor de aanvullende voorwaarden en wijst deze af.

Verder constateert het hof dat de moeder zich verzet tegen de omgang en regelmatig in het buitenland verblijft, waardoor niet alle omgangsmomenten hebben plaatsgevonden. Het hof acht een dwangsom noodzakelijk en wijst het verzoek tot matiging af.

De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en de aanvullende verzoeken van de moeder worden afgewezen. Het hof verwacht dat de rechtbank in de bodemprocedure aandacht zal besteden aan de zorgen over omgang en veiligheid.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voorlopige zorgregeling en wijst de aanvullende voorwaarden en verzoeken tot matiging van de dwangsom af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.991
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 573541)
beschikking van 17 februari 2026
inzake
[verzoekster](de moeder),
wonende te [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. J.E. Smal,
en
[verweerder](de vader),
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 mei 2024 en 17 april 2025, uitgesproken onder zaaknummer 573541. De beschikking van 17 april 2025 wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 juli 2025;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht namens de moeder van 24 december 2025 met producties;
- een journaalbericht namens de vader van 6 januari 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 13 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2023 geboren en woont bij de moeder.
3.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de (voorwaarden rondom de) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij:
  • [de minderjarige] en de vader twee keer in de week voor de duur van één uur begeleide omgang met elkaar hebben, waarbij de moeder afwezig is;
  • als [naam1] de begeleide omgang kan faciliteren de moeder verplicht is om hieraan mee te werken vanaf het moment dat er plek is;
Het voorgaande op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de moeder het bepaalde niet nakomt, met een maximum van € 15.000,-. Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de definitieve beslissing over de zorgregeling is aangehouden tot 17 oktober 2025, in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof was dit rapport nog niet af.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing en is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de aanwijzing van [naam1] als begeleider van de begeleide omgang betreft en te bepalen:
  • dat de begeleide omgang plaatsvindt bij een instelling in of nabij de woonplaats van de moeder ( [woonplaats1] ), dan wel een andere passende locatie die voor de moeder goed bereikbaar is;
  • dat de begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] zal worden vastgelegd met een video opname of dat de moeder kan observeren via een eenzijdige spiegelruimte,
  • dat van de begeleide omgang een verslag wordt opgesteld door de begeleider;
  • dat het hof bij de beoordeling expliciet acht slaat op de verdragsrechtelijke verplichtingen uit artikel 31 van Pro het Verdrag van Istanbul, artikel 3 en Pro 19 IVRK en artikel 8 EVRM Pro, en dat het gedrag van de vader wordt gekwalificeerd als intieme terreur, met als gevolg dat omgang slechts onder strikte voorwaarden en uitsluitend onder professionele begeleiding kan plaatsvinden, dan wel geheel wordt uitgesloten indien de veiligheid van het kind niet kan worden gewaarborgd;
  • althans een beslissing te nemen die het hof juist vindt.
Daarnaast verzoekt de moeder het hof de verplichting tot het betalen van een dwangsom op te heffen, althans te matigen. Althans een beslissing te nemen die het hof juist vindt. Ten slotte vraagt de moeder het hof de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep dan wel die verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Nagekomen stukken
5.1
De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen overlegging van het bericht namens de vader van 6 januari 2026 met producties, aangezien deze ná de in het proces-reglement genoemde termijn van tien dagen voor de zitting is ingediend.
5.2
Het hof beslist daarop dat op die producties acht wordt geslagen, omdat deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn en de advocaat van de moeder zonder nadere maatregel van het hof in redelijkheid voldoende moet hebben kunnen kennisnemen van die bijlagen en zich voldoende moet hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. In dat kader heeft de advocaat van de moeder tijdens de mondelinge behandeling ook laten weten dat zij de producties heeft kunnen bekijken en met de moeder heeft kunnen bespreken.
De voorlopige zorgregeling
Wat staat in de wet?
5.3
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] en dat betekent onder andere dat zij samen beslissen over de zorgregeling. Een geschil daarover kan op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd. [1] De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Hoe oordeelt het hof?
5.4
Het hof stelt vast dat de moeder geen bezwaar heeft tegen de door de rechtbank vastgestelde regeling zelf, maar daaraan nadere voorwaarden verbonden wenst te zien. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de moeder zich zorgen maakt over de veiligheid van [de minderjarige] tijdens de omgangsbegeleiding. In dat kader heeft de moeder laten weten dat zij zich zorgen maakt over de begeleiding door [naam1] , over bedreigingen die de vader volgens de moeder heeft ontvangen en over het verleden van de ouders samen waarin volgens de moeder sprake was van intieme terreur. De moeder stelt in dat kader dat de omgang veilig dient te zijn en verzoekt het hof een aantal voorwaarden te verbinden aan de door de rechtbank vastgestelde voorlopige zorgregeling.
5.5
Het hof oordeelt als volgt. Ter zitting heeft het hof de advocaat van de moeder gevraagd naar de juridische grondslag van de door de moeder gewenste voorwaarden, omdat het hof betwijfelt of die grondslag er is. Afgezien daarvan heeft de raad tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat het raadsonderzoek inmiddels is afgerond, dat de door [naam1] begeleide omgang goed verloopt, dat [de minderjarige] het goed doet en dat er geen signalen zijn dat de omgang onveilig is voor [de minderjarige] . Het hof ziet alleen daarom al geen aanleiding om (aanvullende) voorwaarden te verbinden aan de voorlopige zorgregeling. Het hof ziet ook geen aanleiding om de omgang door een andere organisatie te laten begeleiden. De raad heeft aangegeven dat de [naam1] een professionele organisatie is, die voor zowel de moeder als de vader voldoende goed bereikbaar is. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder na elk omgangsmoment kort wordt medegedeeld hoe de omgang is verlopen. Naar het oordeel van het hof is dit een voldoende terugkoppeling, zeker gezien de frequentie van de omgang.
Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin bepaalde voorlopige zorgregeling dan ook in stand laten (bekrachtigen) en de (aanvullende) verzoeken van de moeder in hoger beroep over die zorgregeling allemaal afwijzen.
Dwangsom
5.6
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat niet alle omgangsmomenten hebben plaatsgevonden. De moeder heeft in dat kader laten weten dat zij regelmatig in het buitenland verblijft, waardoor de omgang feitelijk niet plaats kan vinden. Voor het hof is het gelet op de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken echter voldoende duidelijk dat de moeder moeite heeft met het loslaten van [de minderjarige] in het contact tussen [de minderjarige] en de vader. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad in dat kader laten weten dat de indruk bestaat dat de moeder geen omgang wil tussen [de minderjarige] en de vader.
5.7
Gelet op het voorgaande is het hof net als de rechtbank van oordeel dat het nodig is dat er een dwangsom is verbonden aan de zorgregeling. Het hof ziet in wat de moeder stelt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen of om de dwangsom te matigen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in zoverre in stand laten (bekrachtigen).
5.8
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Het hof is met de raad eens dat het zorgelijk is dat de indruk bestaat dat de moeder zich hardnekkig verzet tegen iedere vorm van omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Het hof verwacht dat de rechtbank hier in het kader van de bodemprocedure, voor zover nodig, nader aandacht aan zal besteden. Dat geldt ook voor hetgeen de moeder stelt ten aanzien van intieme terreur.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 april 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, H. Phaff en M.E.L. Klein, bijgestaan door M.A. Mertens als griffier, en is op 17 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:253a lid 1 BW.