Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
- [minderjarige1] . geboren [in] 2019 en
- [minderjarige2] , geboren [in] 2020.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vrouw en de man zijn in 2017 getrouwd in gemeenschap van goederen en hebben twee minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding, uitgesproken door de rechtbank en ingeschreven op 29 oktober 2025, is het huurrecht van de echtelijke woning in geschil. De rechtbank had het huurrecht aan de man toegewezen.
De vrouw kwam in hoger beroep en verzocht het hof het huurrecht aan haar toe te wijzen. Het hof overwoog dat beide partijen een groot belang hebben bij het huurrecht, mede vanwege de zorgregeling voor de kinderen en de huidige woningmarkt. Het belang van de vrouw werd echter groter geacht vanwege haar lagere inkomen en het feit dat zij aangewezen is op een sociale huurwoning met een lange wachttijd.
De man heeft een hoger inkomen en kan daardoor makkelijker een woning in de vrije sector huren. De vrouw heeft haar verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, waardoor het hof haar niet-ontvankelijk verklaarde in dat verzoek. Het hof vernietigde het onderdeel van de beschikking van de rechtbank dat het huurrecht aan de man toekende en bepaalde dat de vrouw huurder wordt nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. De voorlopige voorziening blijft van kracht tot die datum.
Uitkomst: Het huurrecht van de echtelijke woning wordt toegewezen aan de vrouw nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.