ECLI:NL:GHARL:2026:902

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.357.770
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 827 lid 1 onder f RvArt. 7:266 lid 5 BWArt. 826 lid 1 onder a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing huurrecht echtelijke woning aan vrouw na echtscheiding

De vrouw en de man zijn in 2017 getrouwd in gemeenschap van goederen en hebben twee minderjarige kinderen. Na hun echtscheiding, uitgesproken door de rechtbank en ingeschreven op 29 oktober 2025, is het huurrecht van de echtelijke woning in geschil. De rechtbank had het huurrecht aan de man toegewezen.

De vrouw kwam in hoger beroep en verzocht het hof het huurrecht aan haar toe te wijzen. Het hof overwoog dat beide partijen een groot belang hebben bij het huurrecht, mede vanwege de zorgregeling voor de kinderen en de huidige woningmarkt. Het belang van de vrouw werd echter groter geacht vanwege haar lagere inkomen en het feit dat zij aangewezen is op een sociale huurwoning met een lange wachttijd.

De man heeft een hoger inkomen en kan daardoor makkelijker een woning in de vrije sector huren. De vrouw heeft haar verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, waardoor het hof haar niet-ontvankelijk verklaarde in dat verzoek. Het hof vernietigde het onderdeel van de beschikking van de rechtbank dat het huurrecht aan de man toekende en bepaalde dat de vrouw huurder wordt nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. De voorlopige voorziening blijft van kracht tot die datum.

Uitkomst: Het huurrecht van de echtelijke woning wordt toegewezen aan de vrouw nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.357.770/01 en 200.357.770/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 578065)
beschikking van 17 februari 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A. Patist,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A.G Ouwejan.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 juli 2025, uitgesproken onder zaaknummer 578065 (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties tevens houdende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, ingekomen op 5 augustus 2025;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht namens de vrouw van 6 november 2025 met een productie;
- een journaalbericht namens de man van 2 januari 2026 met een productie en
- een journaalbericht namens de vrouw van 5 januari 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
De vrouw en de man zijn [in] 2017 met elkaar getrouwd in gemeenschap van goederen.
3.2
De vrouw en de man zijn de ouders van:
  • [minderjarige1] . geboren [in] 2019 en
  • [minderjarige2] , geboren [in] 2020.
3.3
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 29 oktober 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hierdoor is het huwelijk van partijen ontbonden.
3.4
In de beschikking van 3 oktober 2024 heeft de rechtbank voor de duur van de
echtscheidingsprocedure voorlopige voorzieningen getroffen. De rechtbank heeft daarbij onder meer bepaald dat de ouder die niet de zorg heeft voor de kinderen (volgens de zorgregeling) de woning op het adres aan de [adres] in [woonplaats] (hierna ook: de huurwoning) moet verlaten en zonder toestemming van de andere ouder niet mag betreden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is het huurrecht van de huurwoning in geschil. De rechtbank heeft beslist dat de man met ingang van 1 oktober 2025 huurder van de huurwoning is.
4.2
De vrouw is in hoger beroep gekomen van de beslissing over het huurrecht. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking op dat onderdeel te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het huurrecht van de huurwoning aan de vrouw wordt toegedeeld. Daarnaast heeft de vrouw – als voorlopige voorziening – verzocht voorlopig te bepalen dat de vrouw (met de kinderen) gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de huurwoning.
4.3
De man voert verweer en hij vraagt het hof het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1
De rechter kan bij het uitspreken van de echtscheiding op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. [1] De rechter zal bij zijn beslissing rekening moeten houden met alle omstandigheden van het geval.
Voorlopige voorziening (200.357.770/02)
5.2
De vrouw heeft het hof op 28 augustus 2025 laten weten dat zij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening intrekt. Het hof maakt hieruit op dat de vrouw de gronden van de voorlopige voorziening in het hoger beroep niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in dit verzoek.
Hoofdzaak (200.357.770/01)
5.3
Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat zowel de man als de vrouw een groot belang hebben bij het huurrecht van de huurwoning, gelet op de huidige woningmarkt en de verdeling van de zorg voor de kinderen die zij met elkaar zijn overeengekomen. Maar anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat het belang van de vrouw bij toewijzing van het huurrecht groter is dan dat van de man. Zowel de man als de vrouw hebben aangevoerd dat zij niet met de kinderen bij hun ouders kunnen intrekken, de man omdat de woning van zijn ouders te klein is en de vrouw omdat de gezondheid van haar moeder dat niet toelaat. Die belangen wegen naar het oordeel even zwaar. De financiële belangen van partijen bij de toewijzing wegen echter niet even zwaar en die geven dan ook de doorslag. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd onderbouwd dat de man meer financiële mogelijkheden heeft dan zij om andere woonruimte te krijgen. Partijen zijn het met elkaar eens dat de huurwoning een sociale huurwoning is. De vrouw heeft gesteld – en dat is door de man niet betwist – dat de inkomensgrens om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning € 51.537,- bruto per jaar is. De vrouw heeft een bruto inkomen van € 31.434,- per jaar. De vrouw is hierdoor aangewezen op een sociale huurwoning. Daarbij heeft de vrouw – onbetwist – gesteld dat haar verzoek om urgentie voor een andere sociale huurwoning is afgewezen en dat de wachttijd voor een sociale huurwoning zes tot zeven jaar is. De man heeft aangevoerd dat de vrouw, net als hij, fulltime zou moeten gaan werken, zodat zij met haar hogere inkomen een woning in de vrije sector zou kunnen huren. De vrouw heeft hiertegenover gesteld dat de man hiermee miskent dat zij bij een fulltime salaris een inkomen zou hebben van € 41.540,- waarmee zij nog steeds onvoldoende inkomen zou hebben om in aanmerking te komen voor een woning in de vrije sector. De man heeft dit betwist, maar deze betwisting is naar het oordeel van het hof niet voldoende onderbouwd. Het hof volgt de stelling van de vrouw dat zij dus ook bij uitbreiding van haar werkuren aangewezen zal blijven op een sociale huurwoning. Als de vrouw de huurwoning zou moeten verlaten, heeft zij de komende jaren geen uitzicht op een andere sociale huurwoning.
De man heeft een inkomen van € 56.000,- tot € 60.000,- bruto per jaar, zodat de man daarmee – in tegenstelling tot de vrouw – wel de mogelijkheid heeft om een woning in de vrije sector te huren. Dat de man met zijn inkomen (op dit moment) mogelijk is aangewezen op een kleinere vrije sector huurwoning dan hij voor zichzelf en de kinderen wenselijk vindt, maakt het oordeel van het hof niet anders. Al met al biedt het inkomen van de man meer perspectief op een andere woning dan het inkomen van de vrouw. Dit maakt dat het hof het belang van de vrouw op toewijzing van het huurrecht groter acht dan dat van de man.
5.4
Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen dat de vrouw de huurder van de huurwoning zal zijn. In zoverre wordt het verzoek van de vrouw toegewezen.
5.5
Het verzoek van de vrouw om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal het hof – net als de rechtbank – afwijzen. Het hof zal wel een andere ingangsdatum bepalen dan de rechtbank heeft gedaan. De voorlopige voorziening die door de rechtbank is getroffen, loopt namelijk door totdat de beslissing op een verzoek over de toedeling van het huurrecht in kracht van gewijsde gaat. [2] Kracht van gewijsde houdt in dat geen verzet, hoger beroep of cassatie meer kan worden ingesteld. Het hof zal daarom beslissen dat huurrecht aan de vrouw wordt toegewezen nadat deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
200.357.770/02
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in hoger beroep;
200.357.770/01
vernietigt onderdeel 4.5. van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 juli 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vrouw huurder is van de woning aan de [adres] in [woonplaats] nadat deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, K.A.M. van Os-ten Have en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door de griffier, en is op 17 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 827 lid 1 onder Pro f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in combinatie met artikel 7:266 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 826 lid 1 onder Pro a Rv