De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij de vader verlengd tot 26 september 2026. De moeder is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep bij het hof. Het hof heeft de stukken bestudeerd, de mondelinge behandeling gehouden en de mening van een van de minderjarigen gehoord.
Het hof bevestigt de beslissing van de kinderrechter en bekrachtigt de verlenging van de machtiging. De omgang tussen de moeder en de kinderen is recent gestart maar nog beperkt en begeleid, waardoor een thuisplaatsing bij de moeder op dit moment niet mogelijk is. De moeder werkt aan een stabiele woon- en werksituatie, maar heeft daarvoor meer tijd nodig.
Het hof benadrukt dat uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is met als doel dat ouders de verzorging en opvoeding weer zelf kunnen dragen. De moeder wordt geacht voldoende inzicht te geven in haar situatie en samen te werken met de gecertificeerde instelling (GI) om thuisplaatsing mogelijk te maken. De relatie tussen de moeder en de GI is verstoord, maar het hof verwacht dat beide partijen zich inspannen om deze te verbeteren.
De moeder vroeg om een bijzondere curator voor de kinderen, maar het hof ziet hiervoor geen aanleiding. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het meer of anders verzocht wordt afgewezen.