ECLI:NL:GHARL:2026:952

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
200.356.008
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 lid 2 BWArt. 1:462 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing mentorschap wegens gebrek aan noodzaak ondanks voortzetting bewind wegens verkwisting

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 februari 2026 uitspraak gedaan over het hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter Gelderland van 20 maart 2025. Verzoeker had gevraagd om opheffing van het beschermingsbewind en mentorschap, dan wel beperking van de duur daarvan. De kantonrechter had het verzoek afgewezen, maar de vader als mentor ontslagen en een nieuwe mentor benoemd.

Het hof bevestigt dat het bewind gehandhaafd moet blijven omdat er nog sprake is van verkwisting, ondanks dat problematische schulden niet langer aanwezig zijn. Dit oordeel is mede gebaseerd op een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 2 maart 2023 en een recent psychiatrisch rapport dat een forse verbetering van de psychische gesteldheid van verzoeker constateert, maar toch adviseert de tbs-maatregel met voorwaarden te verlengen.

Het mentorschap wordt echter opgeheven omdat het niet langer zinvol is. Verzoeker verblijft op grond van een tbs-maatregel in een instelling en er hoeven vrijwel geen beslissingen meer over zijn zorg genomen te worden. Ook de mentor erkent dat hij feitelijk geen positie meer inneemt. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het mentorschap wordt opgeheven, het bewind blijft gehandhaafd vanwege verkwisting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.008
(zaaknummers rechtbank Gelderland 11339146 BM VERZ 24-6053 en 11339195 MP VERZ 24-2086)
beschikking van 19 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker]( [verzoeker] )
die verblijft in [plaats1]
advocaat: mr. M.M. Hoelbeek
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1] handelend onder de naam SBA Bewind & Administratie Vof(de bewindvoerder)
die woont in [woonplaats1]
De Rots Bewindvoering B.V.(de mentor)
die is gevestigd in Ede
[belanghebbende2](de vader)
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam1]
[belanghebbende3](de moeder)
die woont in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam1]
[belanghebbende4](de broer)
die woont in [woonplaats3]

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (verder: de kantonrechter) van 20 maart 2025, uitgesproken onder de hiervoor vermelde zaaknummers (verder: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 juni 2025;
  • een brief van mr. Hoelbeek van 10 juli 2025 met producties;
  • een brief van de bewindvoerder van 31 juli 2025, ingekomen op 4 augustus 2025;
  • een emailbericht van de vader en de moeder van 30 september 2025;
  • een brief van mr. Hoelbeek van 6 november 2025 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 23 december 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • mr. Hoelbeek namens [verzoeker] ;
  • de bewindvoerder;
  • de mentor.

3.De feiten

3.1
[verzoeker] is geboren [in] 1996 in [plaats2] . In een beschikking van 21 mei 2019 heeft de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant het vermogen van [verzoeker] onder bewind gesteld vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden, met benoeming van [belanghebbende1] tot bewindvoerder. In een beschikking van diezelfde datum is een mentorschap ingesteld voor [verzoeker] , met benoeming van de vader tot mentor.
3.2
[verzoeker] verblijft in de [naam1] in [plaats1] op grond van een tbs-maatregel. De rechtbank Midden-Nederland heeft in een beschikking van 2 maart 2023 een verzoek van de bewindvoerder strekkende tot wijziging van de grondslag van het bewind van [verzoeker] naar een onderbewindstelling wegens geestelijke of lichamelijke toestand afgewezen en geoordeeld dat nog sprake is van verkwisting.
3.3
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Gelderland op 19 september 2024, heeft [verzoeker] verzocht het over hem ingestelde beschermingsbewind en mentorschap op te heffen dan wel de duur van deze beschermingsmaatregelen in tijd te beperken en, meer subsidiair, de mentor te ontslaan.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken tot opheffing van het bewind en mentorschap dan wel het bewind en het mentorschap in duur te beperken, afgewezen. Wel heeft de kantonrechter de vader als mentor ontslagen, met benoeming van De Rots Bewindvoering B.V. tot mentor.
4.2
[verzoeker] is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof het bewind en het mentorschap op te heffen of een bewind en mentorschap in te stellen voor een periode van maximaal één jaar en (zo begrijpt het hof) verweerders te veroordelen in de proceskosten.
4.3
De grieven van [verzoeker] lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Uit de artikelen 1:449 lid 2 en artikel 1:462 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de maatregelen van onderbewindstelling en/of mentorschap kunnen worden opgeheven als de noodzaak voor het bewind en/of het mentorschap niet meer bestaat of het bewind en/of mentorschap niet zinvol is gebleken.
5.2
In dit hoger beroep moet de vraag beantwoord worden of het bewind en het mentorschap moeten worden opgeheven. Het ontslag van de vader als mentor is in hoger beroep niet aan de orde.
5.3
Het hof verwijst naar de beslissing van de kantonrechter over het verzoek tot opheffing van het bewind, sluit zich aan bij de motivering van die beslissing en maakt die na eigen onderzoek tot de zijne. De kantonrechter heeft – kort gezegd – overwogen dat de grondslag van de onderbewindstelling is beoordeeld door de rechtbank Midden-Nederland in een beschikking van 2 maart 2023 en dat het aannemelijk is dat geen sprake meer is van problematische schulden, maar wel van verkwisting. Niet gebleken is dat een zodanige wijziging heeft plaatsgevonden in de situatie van [verzoeker] dat hij weer in staat zou zijn om zijn financiële belangen zelf te behartigen en dat de noodzaak van het ingestelde bewind niet meer aanwezig is.
Hieraan voegt het hof toe dat uit het (concept)rapport van psychiater [naam2] van [naam3] (opgemaakt in de periode april – juni 2025) weliswaar blijkt dat de psychische gesteldheid van [verzoeker] fors is verbeterd, maar dat is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat het bewind kan worden opgeheven. De psychiater heeft ook geadviseerd de tbs-maatregel met voorwaarden met één jaar te verlengen en dan de stand van zaken op te maken met betrekking tot de behandeling en resocialisatie van [verzoeker] .
Net als de kantonrechter ziet het hof geen aanleiding nu te bepalen dat het bewind nog voor een periode van maximaal één jaar voortduurt.
5.4
Wel ziet het hof gronden om het verzoek tot opheffing van het mentorschap toe te wijzen. Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat het mentorschap weinig zinvol is, gelet op zijn verblijf in de [naam1] in [plaats1] op grond van de tbs-maatregel en het feit dat nu vrijwel geen beslissingen hoeven te worden genomen over de zorg van en voor hem. Ook de mentor heeft op de zitting verklaard dat hij op dit moment feitelijk geen positie inneemt of hoeft in te nemen. Het verzoek van [verzoeker] om het mentorschap in duur tot maximaal één jaar te beperken, hoeft dan ook niet te worden behandeld.
Het hof zal het mentorschap opheffen met ingang van heden, 19 februari 2026.
5.5
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk zal vernietigen.
5.6
Op grond van de aard van de zaak zal het hof bepalen dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen , van 20 maart 2025 voor zover daarbij het verzoek tot opheffing van het mentorschap is afgewezen en in zoverre opnieuw beschikkende:
heft op het mentorschap ten behoeve van [verzoeker] , geboren [in] 1996 in [plaats2] ;
bekrachtigt de beschikking voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.