Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:971

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
200.360.033/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag wegens gebrek aan betrokkenheid vader

In deze zaak staat het verzoek van de vader centraal om samen met de moeder het gezamenlijk gezag over hun in 2023 geboren kind te verkrijgen. De moeder woont op een geheim adres en het kind verblijft bij haar. De rechtbank had eerder vervangende toestemming verleend voor erkenning en gezamenlijk gezag, maar erkenning heeft nog niet plaatsgevonden.

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen het gezagsbesluit en verzoekt het hof het verzoek van de vader af te wijzen. De vader heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen bij de zitting. Uit de stukken en zitting blijkt dat er nauwelijks contact is tussen de ouders, de vader toont weinig initiatief en interesse in het kind, en de begeleide omgang is nog niet gestart.

Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag een minimale basis van betrokkenheid en communicatie vereist, die hier ontbreekt. Gezien de kwetsbare gezondheid van het kind is het niet in haar belang om afhankelijk te zijn van een niet-betrokken ouder. Daarom vernietigt het hof het eerdere besluit voor zover het gezag betreft en wijst het het verzoek van de vader af.

Uitkomst: Het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag te verkrijgen wordt afgewezen wegens gebrek aan betrokkenheid en communicatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.033/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 575831)
beschikking van 19 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. N.C. Milani te Almere,
Als overige belanghebbende(n) is aangemerkt:
[belanghebbende](de man),
die woont in [woonplaats] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Lelystad.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 2 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 1 oktober 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 16 oktober 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 2 december 2025 met bijlage(n);
- een brief van de raad van 16 december 2025, waarin de raad meldt niet op de zitting te zullen verschijnen;
- een e-mailbericht van de man van 22 december 2025.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 21 januari 2026 plaatsgevonden te Zwolle. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat.
3. De feiten
3.1
Uit de moeder is [in] 2023 [de minderjarige] geboren. De moeder en de man hebben geen vaste relatie gehad. [de minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen en hem samen met de moeder met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] belast vanaf het moment dat de akte van erkenning is opgemaakt.
3.3
Erkenning heeft nog niet plaatsgevonden.
3.4
In de bestreden beschikking is bepaald dat onder begeleiding van hulpverlening via een opbouwregeling moet worden toegewerkt naar een regeling waarbij [de minderjarige] zo mogelijk om de week een weekend en een deel van de vakanties bij de man verblijft.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op het gezag. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de beslissing over het gezag betreft en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de man om samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te worden belast wordt afgewezen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.2
De man heeft het hof bij e-mailbericht van 22 december 2025 laten weten geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling, dat hij geen verweer zal voeren en niet ter zitting zal verschijnen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2
Uit de stukken en hetgeen op de zitting met de moeder is besproken komt naar voren dat er sinds de bestreden beschikking -op enkele app-berichten na- nauwelijks contact is geweest tussen de man en de moeder. Erkenning van [de minderjarige] heeft nog niet plaatsgevonden. De moeder heeft verteld dat de man nooit informeert naar (het welbevinden van) [de minderjarige] , terwijl hij op de zitting in eerste aanleg heeft gehoord dat er zorgen zijn over haar gezondheid, voedingspatroon en groei. Toen de moeder hem (foto’s van) tekeningen van [de minderjarige] stuurde toonde de man in haar beleving weinig interesse. Uit de verslagen van [naam1] blijkt verder dat de door de rechtbank bepaalde begeleide omgang tussen de man en [de minderjarige] nog niet is gestart omdat het contact met de man moeizaam verloopt.
5.3
Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag in beginsel het uitgangspunt is van de wetgever, maar dat dit ook verplichtingen en verantwoordelijkheden met zich brengt. Het vereist dat ouders betrokken zijn bij hun kind, interesse tonen, hun kind willen kennen en zo een afweging kunnen maken over wat het kind nodig heeft. Daarnaast is voor gezamenlijk gezag vereist dat ouders minimaal in staat zijn om in onderling overleg beslissingen te nemen en afspraken te maken over zaken die hun kind aangaan.
5.4
Het hof is van oordeel dat deze minimaal noodzakelijke basis voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag in dit geval ontbreekt. Er is nauwelijks communicatie tussen de moeder en de man, de man is niet betrokken in het leven van [de minderjarige] en heeft tot op heden geen initiatief genomen om de erkenning en omgang te regelen. Gelet op de kwetsbare gezondheid van [de minderjarige] zijn er veel ingewikkelde beslissingen over haar te nemen. Van de moeder kan niet worden gevraagd om daarbij afhankelijk te zijn van de man, die geen belangstelling toont en zich niet op de hoogte stelt van haar welzijn en gezondheid. Gezamenlijk gezag is daarom niet in het belang van [de minderjarige] .
5.5
Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het de bepaling over het gezag betreft, vernietigen en het verzoek van de man alsnog afwijzen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 2 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de man om samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2023, te worden belast af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, M.A.F. Veenstra en F. Menso, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 19 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.