ECLI:NL:GHARL:2026:977

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
200.355.176/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming niet-ondertekende productieovereenkomst voor betonnen heipalen bevestigd

BK Prefab en [appellant] B.V. zijn in geschil over de nakoming van een productieovereenkomst voor betonnen heipalen, die niet door partijen is ondertekend. BK Prefab leverde heipalen aan [appellant] en vorderde betaling van onderproductievergoedingen voor perioden waarin minder dan de afgesproken hoeveelheid werd afgenomen.

De rechtbank wees de vorderingen van BK Prefab toe, maar [appellant] ging in hoger beroep en stelde dat er geen geldige overeenkomst was en dat BK Prefab in schuldeisersverzuim verkeerde door prijsverhogingen. Het hof oordeelde dat partijen wel degelijk uitvoering hadden gegeven aan de productieovereenkomst en dat deze overeenkomst niet tussentijds kon worden opgezegd. De prijsverhogingen waren gerechtvaardigd en vooraf overeengekomen.

Verder stelde [appellant] dat de samenwerking in mei 2023 in onderling overleg was beëindigd, maar het hof vond dat hierover geen overeenstemming bestond. De vordering tot betaling van onderproductie werd daarom bevestigd, terwijl de buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen omdat deze werkzaamheden onderdeel waren van de procesvoorbereiding.

Het hof veroordeelde [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de niet-ondertekende productieovereenkomst moet worden nagekomen en wijst de vorderingen van BK Prefab toe, behalve de buitengerechtelijke incassokosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.355.176/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 317944
arrest van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellant] B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna:
[appellant]
advocaat: mr. J. de Ruiter te Kampen
tegen
BK Prefab B.V.
die is gevestigd in Kampen
en bij de rechtbank optrad als eiseres
hierna:
BK Prefab
advocaat: mr. R.J. van der Leest te Kampen .

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, (hierna: de rechtbank) op 5 maart 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep houdende de grieven, met producties
• de memorie van antwoord met producties
• de nagekomen producties 18-20 van [appellant]
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 29 januari 2026 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1
BK Prefab , die op 16 april 2021 is opgericht, heeft met [appellant] gesproken over een mogelijke samenwerking, waarbij BK Prefab betonnen heipalen voor [appellant] zou produceren. In dat kader heeft [appellant] een concept productieovereenkomst aan BK Prefab voorgelegd, die niet door partijen is ondertekend. BK Prefab is vervolgens heipalen aan [appellant] gaan leveren. Tussen partijen is in geschil of genoemde productieovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en of [appellant] op basis daarvan gehouden is om aan BK Prefab een zogenoemde onderproductievergoeding te betalen voor de dagen waarop zij te weinig heipalen heeft afgenomen.

3.De feiten

3.1
BK Prefab is op 16 april 2021 opgericht door [naam1] ( [naam1] ) en [naam2] ( [naam2] ). BK Prefab houdt zich bezig met het vervaardigen van betonproducten voor de bouw. Sinds 28 december 2022 zijn de aandelen en het bestuur volledig in handen van JKH Holding B.V., waarvan [naam2] enig aandeelhouder en bestuurder is.
3.2
[appellant] is een hei-, weg- en waterbouwbedrijf. De heren [naam3] (via
[bedrijf1] B.V.) en [appellant] (via [bedrijf2] B.V) zijn indirect bestuurders van [appellant] .
3.3
In 2021 hebben partijen overleg gevoerd over hun eventuele samenwerking. Van die gesprekken heeft BK Prefab een afsprakenoverzicht opgesteld en overhandigd aan de accountant van [appellant] , de heer [naam4] ( [naam4] ).
3.4
[naam4] heeft in opdracht van [appellant] een productieovereenkomst opgesteld tussen enerzijds BK Prefab als fabrikant en anderzijds [appellant] als opdrachtgever.
Die productieovereenkomst vermeldt voor zover relevant:
(…)
In aanmerking nemende:
• dat partijen met elkaar zijn overeengekomen, dat de opdrachtgever met ingang van
1 juni 2021voor
de termijn van 3 jaarzich voor eigen rekening en risico toe zal leggen op de inkoop van producten die de fabrikant produceert, en deze weder te verkopen.
• Deze overeenkomst kan niet worden opgezegd, tenzij partijen daartoe in onderling overleg
gezamenlijk besluiten.
Bij verbreking van deze overeenkomst door één van de partijen heeft de andere partij recht op een
nader vast te stellen schadevergoeding.
• Deze overeenkomst zal na verloop van telkens drie maanden worden besproken, voor het eerst op of rond 1 september 2021. Op dat moment zal worden besproken of aanpassing van de in deze
overeenkomst gemaakte afspraken noodzakelijk is.
• dat partijen de tussen hen bestaande rechtsverhouding in de navolgende voorwaarden en bepalingen nader wensen te regelen.
Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:
Artikel 1. Aard overeenkomst
De opdrachtgever verklaart de fabrikant te hebben aangesteld om met ingang van 1 juni 2021 het navolgende product te produceren:
- heipalen, als basis in de volgende verdeling:
o 1. Vierkant 220mm 115,2m1 / 5,58m3
o 2. Vierkant 250mm 192m1 / 12m3
o 3. Vierkant 290mm 153,6m1 / 12,92m3
Tezamen in deze verdeling 30 m3 per dag.
30 m3 per dag is gelijk aan 80 % van de maximale dagproductie van de fabrikant
De fabrikant produceert dit product voor een gemiddeld tarief van € 215,- per kuub.
De fabrikant produceert dit product uitsluitend en exclusief voor de opdrachtgever.
De opdrachtgever verplicht zich de totale geproduceerde heipalen af te nemen, op basis van een
productie van minimaal 25 m3 per dag.
Indien de afname (en dus de productie)
door opdrachtgeverlager wordt gesteld dan 25 m3 per dag wordt door de opdrachtgever een vergoeding betaald van € 60,- per minder geproduceerde m3.
Herziening:
Na afloop van telkens l jaar zullen partijen die genoemde afspraken omtrent prijs en hoeveelheid
beoordelen aan de marktomstandigheden voor wat betreft de afzet van de producten en de
grondstoffen. Voor het eerst op of rond 1 juni 2022.
Artikel 2. Levering van producten / betaling
(…)
4. Gedurende de looptijd van het contract zal de prijs niet kunnen worden gewijzigd tenzij in
onderling overleg. Bij een afwijkende maatvoering (dikte van de palen) kan een andere prijs
worden afgesproken.
(…)
Artikel 3. Productie
1. De opdrachtgever stelt aan de fabrikant mallen ter beschikking Deze mallen blijven
eigendom van de opdrachtgever. (
NB. Deze mallen zijn of worden inmiddels gemaakt
Deze worden door fabrikant of een andere middels onderbouwde factuur doorberekend aan
de opdrachtgever, zodat het eigendom bij de opdrachtgever komt te liggen.)
Voor het gebruik van de mallen wordt een maandelijkse vergoeding berekend.
(…)
3. De opdrachtgever geeft per dag de precieze productieverdeling (lengte en dikte van palen
etc) aan de fabrikant door. Ook de bewapening in de palen zal door opdrachtgever zoveel
mogelijk worden aangegeven
(…)
5. Door fabrikant wordt buitenterrein van 1.000 m2 gehuurd. Dit terrein wordt gebruikt
voor tijdelijke opslag van de heipalen. Opdrachtgever zat een deel van de huurprijs voor
zijn rekening nemen, te weten € 0,-- per jaar.
(…)
3.5
Partijen hebben deze productieovereenkomst niet ondertekend.
3.6
BK Prefab is op 1 juni 2021 gestart met de productie van heipalen met behulp van mallen en bekisting die door [appellant] ter beschikking waren gesteld. [appellant] gaf de gewenste maat palen aan BK Prefab door.
3.7
Op 23 februari 2022 mailde [appellant] aan BK Prefab :
“(…)
Bedankt voor het lijstje hiervan. Ik begrijp dat we momenteel wat problemen hebben met ruimte op het tasveld, waardoor we geen voorraad maken, maar een onderproductie van 54 kuub voor alleen week 9 en een onderproductie van !80 kuub! voor week 10 is wel iets waar ik vanuit ga dat wij vooraf een melding van krijgen.
Graag met spoed in productie nemen voor storten maandag, dinsdag, woensdag week 9. Dit is
heien week 11, dus niet later storten. ( … )
Zou je vanaf nu ook drie weken vooruit willen gaan plannen? Als er iets moet worden bijgestuurd kan dat nog, nu staan we met de rug tegen de muur en kunnen we niets.
(…)”
3.8
Op 3 maart 2022 heeft BK Prefab een factuur gestuurd aan [appellant] van
€ 18.246,50 inclusief btw voor de onderproductie in de periode van 8 november 2021 tot
en met 18 februari 2022. Op 8 maart 2022 heeft BK Prefab op voormelde factuur een bedrag
van € 5.445 gecrediteerd. [appellant] heeft, na verrekening van de creditfactuur, de factuur
voor de onderproductie betaald.
3.9
Op 2 maart 2023 heeft BK Prefab aan [appellant] de overzichten van week 9 en 10
toegezonden. BK Prefab schrijft:
“Hierbij de overzichten van deze week en volgende week.
Voor maandag week 10 hebben we nog productie en dan zijn we er doorheen!
De nieuwe prijzen zijn gebaseerd op 30m3/dag en niet meer op 25m3/dag. Dit omdat het
allemaal scherper moest!”
3.1
Diezelfde dag antwoordt [appellant] :
“Afspraak is 125 kuub per week, vorige week hadden we voldoende in opdracht gegeven voor
stort in week 9. Graag ontvang ik vrijdagmorgen een melding van de stort die je hebt staan, zodat ik een keuze heb om meer te storten Het is momenteel overal sprokkelen en werk weghalen dus we moeten het samen doen. Onderproductie wil ik vanaf.”
3.11
In de periode van 10 maart 2023 tot en met 21 april 2023 heeft BK Prefab 10 facturen gestuurd aan [appellant] voor de onderproductie in de weken 4 tot en met 15 van 2023. Op 25 juli 2023 heeft BK Prefab de onderproductie over 2022 in rekening gebracht aan [appellant] . Het totaal van deze facturen, minus een creditfactuur van 13 januari 2023, bedraagt € 53.816,15 inclusief btw. [appellant] heeft deze facturen niet voldaan.
3.12
Per e-mailbericht van 14 april 2023 heeft [appellant] laten weten dat het gelet op de
ontwikkelingen in de markt niet meer mogelijk is om de fabriek te laten storten. [appellant]
schrijft:
“Als vorige week besproken is het niet mogelijk om op dit moment met de huidige ontwikkelingen de fabriek te laten blijven storten. Als toen ook aangegeven zullen we in ieder geval tot einde huurperiode van dit jaar geen stort meer hebben, dat houdt in tot 14-06. We hebben geprobeerd om dit om de tafel te bespreken, maar het is vanwege beide
agenda's niet gelukt om een afspraak te maken, daarom hebben we het telefonisch besproken. Ons voorstel is om week 22 bij elkaar te komen om een beslissing te nemen over het volgende
huurjaar. Mocht de markt niet aantrekken en de prijzen niet veranderen is de kans groot dat we
dan geen palen meer gaan maken. We hebben jullie gevraagd om te bekijken wat de kosten zijn
voor de komende tijd, hier zullen we eerst overeenstemming over moeten krijgen. We gaan ervan uit dat dit bestaat uit huur terrein en huur fabriek.
Laten we de komende tijd afwachten en contact houden hoe we verder gaan”
3.13
Op 19 april 2023 reageert [naam2] op de e-mail van [appellant] :
“We begrijpen de huidige ontwikkelingen maar we blijven wel met wat kosten achter.
Productie is gestopt begin wk 15 en onderproductie rekenen we af tot wk 15
We proberen de loonkosten voor wk 15 en wk 16 zo laag mogelijk te houden
En het personeel op te zeggen ik weet nog niet wat de opzeg termijn is
De huur zal doorlopen zolang er heipalen op tasveld liggen en bekisting binnen op de vloer ligt
We hebben ook nog wat rest materialen (…)
Verwijderen spoorlijn binnen en buiten en terrein herstellen
Kosten voor Komo en CE dit kun je nu ook weg gooien
En wat er ook nog staat wat posten ven 2022 waar nog op terug gekomen zou worden.”
3.14
Op of omstreeks 14 juni 2023 heeft [appellant] de mallen bij BK Prefab opgehaald, waarna verdere productie door BK Prefab niet meer mogelijk was.

4.De vorderingen van BK Prefab en de beslissing van de rechtbank

4.1
BK Prefab heeft bij de rechtbank gevorderd [appellant] te veroordelen om aan BK Prefab te betalen – samengevat – :
a. € 53.816,15 aan openstaande facturen ter zake van onderproductie in de periode week 4 tot en met week 15 van 2023, te vermeerderen met wettelijke handelsrente;
b. € 382.500 aan onderproductievergoeding over de periode week 16 van 2023 tot en met week 22 van 2024, te vermeerderen met wettelijke handelsrente;
c. buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
4.2
De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen.

5.De beoordeling van de grieven en de vorderingen in hoger beroep

5.1
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat BK Prefab wordt veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] op grond van het vonnis van de rechtbank aan BK Prefab heeft betaald, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van betaling en met veroordeling van BK Prefab in de proceskosten in beide instanties.
[appellant] heeft acht bezwaren (grieven) tegen het vonnis geformuleerd, die het hof hierna thematisch zal bespreken.
5.2
Het hof zal oordelen dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Dat wordt hierna uitgelegd.
De productieovereenkomst
5.3
[appellant] richt zich allereerst tegen het oordeel van de rechtbank dat de samenwerking die partijen in 2021 zijn aangegaan was gebaseerd op de niet ondertekende productieovereenkomst. Volgens [appellant] heeft haar accountant een door [naam1] opgestelde lijst met wensen uitgewerkt in een voorstel. Partijen hebben vervolgens uitsluitend gesproken over de praktische invulling van de werkzaamheden en zijn niet meer teruggekomen op het niet ondertekende voorstel, maar handelden naar mondeling gemaakte afspraken, aldus [appellant] in de toelichting op haar eerste grief.
5.4
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop partijen hun samenwerking gestalte hebben gegeven, neerkomt op het uitvoering geven aan de afspraken zoals die zijn neergelegd in de productieovereenkomst. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
5.5
Zoals de rechtbank heeft overwogen komt de tekst van de productieovereenkomst die is opgesteld door de accountant van [appellant] , grotendeels overeen met die van het afsprakenoverzicht dat [naam1] namens BK Prefab had opgesteld. Hoewel partijen de productieovereenkomst niet hebben ondertekend, hebben zij wel uitvoering gegeven aan die productieovereenkomst, door te handelen op de daarin omschreven wijze. [appellant] heeft in de conclusie van antwoord (nummer 2) ook zelf verklaard dat partijen in de geest van de niet ondertekende productieovereenkomst handelden. Zo is BK Prefab met ingang van 1 juni 2021 exclusief voor [appellant] heipalen gaan produceren volgens de in de productieovereenkomst opgenomen specificaties en met behulp van door [appellant] aangeleverde mallen. [appellant] gaf telkens de productieverdeling aan BK Prefab door. Partijen gingen uit van een minimum afname door [appellant] van 25 kuub per dag ofwel 125 kuub per week en in geval van onderproductie bracht BK Prefab [appellant] daarvoor de in de productieovereenkomst opgenomen vergoeding van € 60 per kuub in rekening. [appellant] heeft de facturen voor onderproductie aanvankelijk ook betaald.
5.6
In de toelichting op grief I bevestigt [appellant] dat partijen naar mondelinge afspraken handelden. Zij geeft daarbij niet aan dat of in hoeverre die mondelinge afspraken afweken van hetgeen in de niet ondertekende productieovereenkomst is vastgelegd. Weliswaar luidt haar tweede grief:
“Ten onrechte overweegt de rechtbank onder rechtsoverweging 5.5 dat de afspraken in de productieovereenkomst grotendeels gelijkluidend zijn aan het afsprakenoverzicht van BK Prefab ”,maar die grief is vervolgens in het geheel niet toegelicht. De toelichting op grief II heeft namelijk betrekking op een heel ander onderwerp, namelijk de door BK Prefab doorgevoerde prijswijzigingen, waarop het hof hierna zal ingaan. Grief I faalt.
Prijswijzigingen, geen schuldeisersverzuim
5.7
[appellant] stelt zich op het standpunt dat BK Prefab ten onrechte prijsverhogingen doorvoerde en daarmee in strijd handelde met het bepaalde in de artikelen 1 en 2 lid 4 van de productieovereenkomst. BK Prefab was volgens [appellant] gehouden heipalen te leveren tegen marktconforme prijzen. Door te weigeren heipalen te leveren tegen de door [appellant] in haar e-mails van 30 november 2022 en 29 januari 2023 genoemde prijzen, is BK Prefab in schuldeisersverzuim komen te verkeren, aldus [appellant] .
5.8
Vast staat dat BK Prefab de prijzen eerder heeft verhoogd dan na ommekomst van de in artikel 1 van Pro de productieovereenkomst genoemde periode van een jaar. BK Prefab heeft uitgelegd dat prijswijzigingen noodzakelijk waren omdat de prijzen van grondstoffen stegen, onder meer als gevolg van de oorlog in Oekraïne. BK Prefab heeft benadrukt dat prijsstijgingen pas werden doorgevoerd nadat [appellant] daarmee had ingestemd. [appellant] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ook bevestigd dat er over de prijsverhogingen vooraf overleg met hem plaatsvond. Ook in de memorie van grieven (onder 18) bevestigt [appellant] dat zij tussentijds heeft ingestemd met een hogere prijs voor bepaalde leveringen. Partijen handelden op die wijze overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 lid 4 van Pro de productieovereenkomst. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat zij protesteerde tegen de prijsverhogingen, maar van een dergelijk protest is in het dossier niets terug te vinden, terwijl vast staat dat [appellant] voor alle geleverde heipalen heeft betaald.
5.9
BK Prefab heeft bovendien betwist dat zij
gehoudenwas tegen marktconforme prijzen te leveren. Zij heeft benadrukt dat van meet af aan duidelijk was dat BK Prefab niet de goedkoopste zou zijn omdat [appellant] exclusiviteit had bedongen. Daardoor kon BK Prefab stijgende kosten alleen op [appellant] , haar enige afnemer, afwentelen. De enkele omstandigheid dat in de productieovereenkomst is opgenomen dat afspraken omtrent prijs en hoeveelheid door partijen zullen worden beoordeeld aan de marktomstandigheden voor wat betreft afzet producten en grondstoffen betekent niet dat partijen
duseen marktconforme prijs zijn overeengekomen, aldus BK Prefab . Verder heeft BK Prefab betwist dat haar prijzen niet marktconform waren. De door [appellant] genoemde leveranciers zijn niet vergelijkbaar met BK Prefab vanwege de soort palen en het keurmerk. Alleen Duister Beton is enigszins vergelijkbaar, maar beschikt in tegenstelling tot BK Prefab niet over een KOMO-keurmerk, aldus nog steeds BK Prefab .
5.1
Naar het oordeel van het hof volgt uit de bepaling in de productieovereenkomst dat partijen afspraken over prijs en hoeveelheden zullen beoordelen aan de marktomstandigheden voor wat betreft afzet producten en grondstoffen, niet zonder meer dat de prijs altijd marktconform moet zijn. Waar het hier om een contract met exclusiviteit gaat, zal de door de enige afnemer af te nemen hoeveelheid immers mede bepalend zijn voor de prijs waartegen de fabrikant kan produceren.
5.11
In het geval de door [appellant] verdedigde uitleg van de bepaling wel juist zou zijn en BK Prefab gehouden was tegen marktconforme prijzen te leveren, geldt bovendien het volgende.
5.12
[appellant] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat BK Prefab niet marktconforme prijzen hanteerde verwezen naar producties 1 tot en met 8 bij conclusie van antwoord. Deze producties betreffen facturen van BK Prefab en andere leveranciers van heipalen. BK Prefab heeft bij akte overlegging producties ten behoeve van de mondelinge behandeling van 5 december 2024 betwist dat uit deze facturen blijkt dat haar prijzen niet marktconform zijn, omdat de andere leveranciers waarvan [appellant] de facturen heeft overgelegd niet vergelijkbaar zijn met BK Prefab (zie ook r.o. 5.9). Daar gaat [appellant] tijdens de mondelinge behandeling op 5 december 2024 niet op in. In hoger beroep overlegt zij dan een rapport van GrondGrip met de titel “Analyse prijsstelling prefab betonnen heipalen – BK Prefab ”. Dit rapport is echter grotendeels gebaseerd op dezelfde facturen die ook al bij de rechtbank zijn overgelegd (productie 34 bij dagvaarding en producties 1 t/m 8 bij conclusie van antwoord). De conclusie die [appellant] daaruit trekt is, zoals hiervoor is overwogen, door BK Prefab in eerste instantie (akte overlegging producties 34 t/m 36) gemotiveerd betwist. Deze gemotiveerde betwisting heeft BK Prefab in haar memorie van antwoord herhaald en op de zitting heeft zij het rapport van GrondGrip gemotiveerd betwist terwijl [appellant] het rapport helemaal niet heeft besproken op de zitting. Het hof is van oordeel dat [appellant] haar stelling dat de prijzen van BK Prefab niet marktconform waren onvoldoende heeft onderbouwd. Voor bewijslevering op dit punt is daarom geen plaats.
5.13
In de tweede plaats staat vast dat [appellant] BK Prefab nooit heeft gesommeerd om tegen lagere prijzen te leveren en haar evenmin ter zake in gebreke heeft gesteld. [appellant] heeft BK Prefab in november 2022 en januari 2023 wel gevraagd een bepaalde partij tegen een bepaalde prijs te leveren, maar toen BK Prefab aangaf niet tegen die prijs te kunnen produceren – en partijen dus geen overeenstemming over de aanpassing van de prijs bereikten – heeft [appellant] daar geen consequenties aan verbonden. BK Prefab is dan ook niet in (schuldeisers)verzuim komen te verkeren.
5.14
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] bij monde van haar advocaat nog eens bevestigd dat [appellant] ook geen beroep op opschorting of ontbinding van de productieovereenkomst heeft gedaan wegens een vermeende tekortkoming van BK Prefab in de nakoming van haar verplichtingen. Dit blijkt ook uit het feit dat [appellant] tot en met week 15 van 2023 heipalen is blijven afnemen van BK Prefab en die palen ook heeft betaald. Dit alles maakt dat grief II faalt. Volgens [appellant] hebben partijen hun samenwerking daarna op 17 mei 2023 in onderling overleg beëindigd. Op die stelling zal later in dit arrest worden ingegaan.
Onderproductie in de periode 10 maart 2023 tot en met 21 april 2023
5.15
[appellant] komt met grief III op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van BK Prefab die strekt tot vergoeding van de onderproductie in de periode 10 maart 2023 tot en met 21 april 2023 voor toewijzing in aanmerking komt. De hoogte van de facturen wordt niet door [appellant] betwist, maar zij stelt zich op het standpunt dat BK Prefab vanwege de door haar gehanteerde prijzen in schuldeisersverzuim verkeerde en daarom geen aanspraak op betaling kan maken. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen was van schuldeisersverzuim van BK Prefab geen sprake. Daarop stuit deze grief af.
5.16
Om dezelfde reden faalt ook grief VII die eveneens is gebaseerd op de onjuiste aanname dat BK Prefab in schuldeisersverzuim is komen te verkeren.
Geen beëindiging productieovereenkomst in onderling overleg
5.17
[appellant] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de primaire vordering van BK Prefab tot nakoming van de productieovereenkomst – en daarmee vergoeding van de onderproductie – ten onrechte heeft toegewezen omdat BK Prefab volgens [appellant] in schuldeisersverzuim verkeerde. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, was van schuldeisersverzuim van BK Prefab evenwel geen sprake.
5.18
[appellant] betoogt voorts dat een beroep op onderproductie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat partijen de onderlinge samenwerking in een bespreking van 17 mei 2023 hebben beëindigd.
5.19
BK Prefab heeft een en ander gemotiveerd betwist. Zij heeft erop gewezen dat het [appellant] was die in de e-mail van 14 april 2023 aangaf niet langer heipalen te zullen gaan afnemen als de markt niet zou aantrekken en de prijzen niet zonder veranderen. BK Prefab heeft aangegeven dat zij in dat geval wel met kosten zou blijven zitten, dat partijen op 17 mei 2023 en in de daarop volgende periode weliswaar hebben gesproken over een mogelijke beëindiging van de samenwerking, maar dat zij niet tot overeenstemming zijn gekomen.
5.2
Dat partijen op 17 mei 2023 overeenstemming over een voortijdige beëindiging van de productieovereenkomst hebben bereikt, blijkt naar het oordeel van het hof niet uit de feiten. Tussen partijen is na die datum nog verder gesproken over hun samenwerking. Zo heeft BK Prefab op 24 mei 2023 een voorstel tot prijsaanpassing gedaan. Nadat [appellant] in een e-mail van 6 juni 2023 aangaf dat zij de huur van het buitenterrein tot en met 14 juli 2023 wilde verlengen, heeft BK Prefab daarop gereageerd met de mededeling dat het niet aanging de huur voortijdig op te zeggen omdat de huurovereenkomst net als de productieovereenkomst voor een periode van drie jaar was aangegaan. [appellant] laat vervolgens in een e-mail van 16 juni 2023 weten dat de nieuw voorgestelde prijzen niets veranderen aan het verhaal en dat zij volgende week sloopwerkzaamheden zal uitvoeren. Verder merkt zij op dat de productieovereenkomst naar haar mening niet van belang is omdat die niet is ondertekend. Zij besluit met de opmerking dat het goed lijkt bij elkaar te komen als alles is opgeruimd om een eindafrekening af te spreken. Ook in de maanden daarna vindt nog overleg plaats in e-mails en besprekingen. In een e-mail van 8 december 2023 schrijft [appellant] aan BK Prefab onder meer:
“In vervolg op ons gesprek van 13 november hebben wij overlegd over een passende reactie. Onze conclusie is dat wij er eigenlijk niet goed uitkomen. Wij zien niet direct waarvoor wij verantwoordelijk zijn (…)”
BK Prefab heeft vervolgens een advocaat ingeschakeld en [appellant] gesommeerd om haar verplichtingen uit de productieovereenkomst na te komen.
5.21
Uit deze gang van zaken blijkt dat [appellant] in het voorjaar van 2023 te kennen heeft gegeven dat zij lagere prijzen wenste en de afname van heipalen vervolgens heeft gestaakt, zonder dat er tussen partijen overeenstemming was bereikt over (de voorwaarden van) een voortijdige beëindiging van de productieovereenkomst.
5.22
[appellant] heeft in het licht van deze gang van zaken onvoldoende concrete stellingen ingenomen ten aanzien van het moment en de wijze waarop tussen partijen overeenstemming zou zijn bereikt over een beëindiging van de productieovereenkomst. Het bewijsaanbod dat [appellant] in dit hoger beroep heeft gedaan is daar ook onvoldoende op toegespitst, reden waarom het hof geen aanleiding ziet [appellant] tot bewijslevering toe te laten. Grief VI faalt.
mocht de productieovereenkomst niet tussentijds opzeggen
5.23
[appellant] beroept zich in het kader van zijn vijfde grief wederom op het vermeende schuldeisersverzuim van BK Prefab . Zoals het hof bij de bespreking van de voorgaande grieven heeft geoordeeld, was daarvan geen sprake. De productieovereenkomst is aangegaan voor de bepaalde tijd van 3 jaar en was tussentijds niet opzegbaar. [appellant] heeft betoogd dat zij de productieovereenkomst desalniettemin tussentijds mocht opzeggen op grond van de redelijkheid en billijkheid. Dat voortduring van de productieovereenkomst tot onaanvaardbare resultaten zou leiden omdat de door BK Prefab gehanteerde prijzen ‘exorbitant’ zouden zijn, zoals [appellant] stelt, is door haar niet aannemelijk gemaakt. Ook grief V is vergeefs voorgedragen.
De productieovereenkomst is in stand gebleven en moet worden nagekomen
5.24
Nu de productieovereenkomst niet in onderling overleg is beëindigd en [appellant] het recht niet had tot tussentijdse opzegging van de productieovereenkomst over te gaan, is deze in stand gebleven en heeft de rechtbank de primaire vordering tot nakoming terecht toegewezen. Aan de bespreking van de subsidiaire vordering komt het hof dus niet toe.
Grief IV faalt.
Buitengerechtelijke kosten
5.25
[appellant] wijst erop dat er namens BK Prefab niet meer buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht dan het versturen van de enkele sommatie van 19 december 2023. BK Prefab stelt dat haar advocaat ook een dossier heeft samengesteld en correspondentie heeft gevoerd met BK Prefab zelf.
5.26
Het hof is van oordeel dat dergelijke werkzaamheden de voorbereiding van de procedure betreffen en niet zijn aan te merken als buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal daarom alsnog worden afgewezen. Grief VIII slaagt dus.
De conclusie
5.27
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, behalve voor zover het de toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten betreft. Omdat [appellant] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [1]
5.28
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 5 maart 2025, behalve voor zover [appellant] daarin is veroordeeld om een bedrag van € 3.956,58 aan buitengerechtelijke incassokosten aan BK Prefab te betalen; alleen die beslissing wordt vernietigd;
6.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van BK Prefab :
€ 6.803 aan griffierecht
€ 11.238 aan salaris van de advocaat (2 pt x € 5.619);
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
6.4
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, C.P. Lunter en W.D. de Boer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
17 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853