De moeder en vader, die sinds voorjaar 2023 uit elkaar zijn, zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun in 2020 geboren minderjarige dochter. Na beëindiging van hun relatie is de moeder met het kind verhuisd, terwijl de vader in de oorspronkelijke woning bleef. Diverse voorzieningenrechters en rechtbanken hebben zorgregelingen vastgesteld, waarbij de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vader is.
De moeder vordert in kort geding onder meer een week-op-week-af zorgregeling en een vaste dag voor Facetime-contact. Het hof oordeelt dat de moeder geen spoedeisend belang heeft bij de wijziging van de zorgregeling, omdat het kind reeds structureel omgang heeft en de situatie niet onveilig is. De gevraagde wijziging betreft een aanzienlijke wijziging die in de bodemprocedure moet worden beoordeeld.
Wel wordt geoordeeld dat de moeder een spoedeisend belang heeft bij het vastleggen van een vaste dag voor het Facetime-contact, omdat dit contact momenteel onvoldoende structureel plaatsvindt. Het hof bepaalt dat de vader wekelijks op dinsdag medewerking moet verlenen aan het Facetime-contact. De overige vorderingen van de moeder worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.