ECLI:NL:GHARL:2026:979

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
200.361.673/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling en Facetime-contact na beëindiging relatie ouders

De moeder en vader, die sinds voorjaar 2023 uit elkaar zijn, zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun in 2020 geboren minderjarige dochter. Na beëindiging van hun relatie is de moeder met het kind verhuisd, terwijl de vader in de oorspronkelijke woning bleef. Diverse voorzieningenrechters en rechtbanken hebben zorgregelingen vastgesteld, waarbij de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vader is.

De moeder vordert in kort geding onder meer een week-op-week-af zorgregeling en een vaste dag voor Facetime-contact. Het hof oordeelt dat de moeder geen spoedeisend belang heeft bij de wijziging van de zorgregeling, omdat het kind reeds structureel omgang heeft en de situatie niet onveilig is. De gevraagde wijziging betreft een aanzienlijke wijziging die in de bodemprocedure moet worden beoordeeld.

Wel wordt geoordeeld dat de moeder een spoedeisend belang heeft bij het vastleggen van een vaste dag voor het Facetime-contact, omdat dit contact momenteel onvoldoende structureel plaatsvindt. Het hof bepaalt dat de vader wekelijks op dinsdag medewerking moet verlenen aan het Facetime-contact. De overige vorderingen van de moeder worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De meeste vorderingen van de moeder worden afgewezen, behalve de vordering tot wekelijkse Facetime-contact, die wordt toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.673/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 153536
arrest in kort geding van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellante](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaten: mr. A.M. Koopman en mr. M. Terhorst, beiden kantoorhoudende te Alkmaar,
en
[geïntimeerde](de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. E. Lucas, kantoorhoudende te Lelystad.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis (hierna: het bestreden vonnis) dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, (hierna: de voorzieningenrechter) op 20 oktober 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met daarbij de memorie van grieven met bijlage(n);
  • de memorie van antwoord met bijlage(n);
  • een brief namens de moeder van 19 december 2025 met bijlage(n);
  • een brief namens de vader van 19 december 2025;
  • een brief namens de moeder van 4 januari 2026 met bijlage(n);
  • een brief namens de vader van 5 januari 2026 met bijlage(n).
1.2.
In de brief namens de moeder van 19 december 2025 staat in de eerste zin achter de productienummers een toelichting op de bij die brief ingediende producties A9 en A10. Dit gedeelte van de brief en de producties neemt het hof wel mee bij de beoordeling. De verdere tekst achter de productienummers en het tweede gedeelte van de brief (vanaf de 3e alinea, beginnende met “In casu is van belang”) laat het hof, zoals tijdens de mondelinge behandeling al is meegedeeld, buiten beschouwing. Dit gedeelte van de brief bevat namelijk een extra, tweede schriftelijke ronde, die niet is toegestaan.
1.3.
Op 15 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. Terhorst;
- de vader, bijgestaan door mr. Lucas en vergezeld van twee medewerkers van [naam1] ;
- een vertegenwoordiger van de raad.
Mr. Terhorst heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De pleitnota bevat drie bijlagen.
Van de mondelinge behandeling is een verslag opgemaakt (een proces-verbaal).

2.De kern van de zaak

2.1.
De moeder en de vader hebben gedurende ongeveer zeven jaar een relatie met elkaar gehad en samengewoond. De relatie is in het voorjaar van 2023 geëindigd.
2.2.
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2020. Bij beschikking van 19 april 2024 is de vader gezamenlijk met de moeder belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
De vader heeft uit een latere relatie nog een dochter.
2.4.
De ouders woonden met [de minderjarige] in [woonplaats2] . De grootouders (moederszijde) en de overgrootmoeder (moederszijde) woonden toen op hetzelfde erf als de ouders.
2.5.
Op 28 april 2023 is de moeder, nadat partijen hun relatie hadden beëindigd, met [de minderjarige] vertrokken uit de woning in [woonplaats2] . De moeder heeft eerst enige tijd met [de minderjarige] en de grootouders (moederszijde) in [plaats1] verbleven. Nu woont de moeder in [woonplaats1] .
2.6.
De vader is in de (boerderij)woning in [woonplaats2] blijven wonen, waar de ouders eerst samenwoonden. De grootvader (vaderszijde) en zijn partner wonen nu op hetzelfde erf.
2.7.
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft - voor zover hier van belang - bij beschikking van 19 april 2024:
- het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming om met [de minderjarige] naar [woonplaats1] te verhuizen, afgewezen;
- de moeder bevolen binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van die beschikking met [de minderjarige] te verhuizen naar een woonplaats gelegen binnen een straal van maximaal 30 autominuten vanaf de woning van de vader in [woonplaats2] ;
- een definitieve zorgregeling vastgesteld.
2.8.
Het hof heeft bij beschikking van 10 september 2024, voor zover hier van belang:
- de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 april 2024, vernietigd voor zover daarbij de moeder is bevolen binnen drie maanden met [de minderjarige] te verhuizen, en in zoverre opnieuw rechtdoende, de moeder bevolen binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de beschikking van het hof met [de minderjarige] te verhuizen naar een woonplaats gelegen binnen een straal van maximaal 30 autominuten vanaf de woning van de vader in [woonplaats2] ;
- de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 april 2024, voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd;
- bepaald dat de moeder voor iedere keer dat zij verzuimt de in de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 april 2024, bepaalde zorgregeling na te komen een dwangsom aan de vader verbeurt van € 250,- per dag, tot een maximumbedrag van € 5.000,-.
2.9.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 26 maart 2025:
- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader zal zijn;
- de vader, ter vervanging van de toestemming van de moeder, toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven op zijn adres in de gemeentelijke basisadministratie en om [de minderjarige] in te schrijven op de basisschool [naam2] te [plaats2] ;
- de zorgregeling gewijzigd en als volgt vastgesteld:
voor de periode dat de moeder nog in [woonplaats1] woont:
[de minderjarige] verblijft om het weekend bij de moeder, waarbij:
- indien de vader werkt op vrijdag: de omgang begint op zaterdagochtend en duurt tot maandagmiddag en
- indien de vader niet werkt op vrijdag: de omgang begint op vrijdagochtend en duurt tot zondagmiddag;
vanaf het moment dat de moeder in de omgeving van [woonplaats2] woont:
[de minderjarige] verblijft de ene week van vrijdag uit school tot en met maandag naar school en de andere week minimaal op één nader door partijen in onderling overleg te bepalen doordeweekse dag bij de moeder;
- [de minderjarige] verblijft de helft van de vakanties en feestdagen bij de moeder;
- [de minderjarige] verblijft op Moederdag bij de moeder en op Vaderdag bij de vader;
- [de minderjarige] wordt (ten minste) eenmaal per week op een doordeweekse dag rond
17:00 uur in de gelegenheid gesteld om met de moeder Facetime-contact te hebben, waarbij de vader steeds uiterlijk een half uur tevoren meldt dat hij het Facetime- contact tot stand gaat brengen;
- de ouder bij wie [de minderjarige] het laatst verbleef, brengt haar naar de andere ouder wanneer er gewisseld moet worden.
De moeder heeft tegen deze beschikking van de rechtbank Rotterdam hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Zij heeft verzocht de zaak te verwijzen naar een onafhankelijk hof dat nog niet eerder over het geschil heeft beslist (te weten hof Amsterdam of hof Den Bosch). Het hof Den Haag heeft de zaak verwezen naar het hof Den Bosch.
2.10.
[de minderjarige] woont sinds eind maart 2025 bij de vader in [woonplaats2] . Daarvoor woonde ze bij de moeder in [woonplaats1] .
2.11.
De vader wordt sinds april 2025 beveiligd door [naam1] en heeft sindsdien niet in zijn woning in [woonplaats2] kunnen verblijven.
2.12.
De moeder heeft op 26 september 2025 bij de voorzieningenrechter (in conventie) gevorderd:
1. om [de minderjarige] volledig aan de moeder toe te vertrouwen voor de periode dat de vader niet feitelijk verblijft in zijn woning in [woonplaats2] en zolang hij wordt bedreigd en zolang hij wordt beveiligd door [naam1] ;
2. de vader te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de volgende zorgregeling nadat de bedreigingen zijn gestopt, gedocumenteerd wordt aangetoond dat [naam1] de vader niet meer bewaakt en beveiligt èn de vader weer op zijn eigen adres in [woonplaats2] verblijft:
de vader zorgt in de even weken voor [de minderjarige] en de moeder in de oneven weken, waarbij het wisselmoment op donderdag uit school zal zijn, dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, met een maximum van € 100.000,- althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat de vader niet voldoet aan het gevorderde onder punt 1 en 2;
3. de vader te veroordelen om uiterlijk binnen één dag na betekening van het vonnis uitvoering te geven aan het gevorderde onder punt 1. of indien er geen sprake meer is van bedreigingen etc., zoals hiervoor is aangegeven onder punt 2;
4. de vader te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten.
2.13.
De vader heeft bij de voorzieningenrechter (in reconventie) gevorderd:
1. primair: de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen;
2. subsidiair, voor het geval de voorzieningenrechter de moeder ontvankelijk acht: de zorgregeling als vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025 op te schorten totdat in de bij het hof Den Bosch lopende procedure is beslist over de zorgregeling;
3. de moeder in conventie en reconventie te veroordelen in de (na)kosten van dit geding.
2.14.
De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis:
in conventie:
- de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot wijziging van de zorgregeling vanaf het moment dat de bedreigingen zijn gestopt en gedocumenteerd wordt aangetoond dat [naam1] de vader niet meer bewaakt en beveiligt en de vader weer op zijn eigen adres in [woonplaats2] verblijft;
- de overige vorderingen van de moeder afgewezen;
in reconventie:
de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot het opschorten van de zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] totdat in de bij het hof Den Bosch lopende bodemprocedure is beslist over de zorgregeling;
in conventie en in reconventie:
- de kosten van deze procedure gecompenseerd tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.15.
De moeder vordert in hoger beroep om het bestreden vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen:
1. primair: dat voorlopig, totdat in de bodemprocedure door het hof Den Bosch hierover is beslist, de vader in de even weken voor [de minderjarige] zal zorgen en de moeder in de oneven weken, waarbij het wisselmoment donderdag uit school zal zijn;
2. subsidiair: dat zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025, aangepast aan het lesrooster van [de minderjarige] , de moeder om de week vanaf vrijdag uit school tot maandagochtend naar school voor [de minderjarige] zal zorgen en van woensdag uit school tot donderdag naar school;
3. dat de vader iedere dinsdag zijn medewerking zal verlenen aan een Facetime-gesprek tussen [de minderjarige] en de moeder;
4. dat de vader zijn werkrooster zodra dat beschikbaar komt zal toezenden aan de moeder;
- dit alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, met een maximum van € 100.000,-, althans een door het hof te bepalen dwangsom voor elke dag of elk deel daarvan dat de vader niet voldoet aan het gevorderde onder punt 1 of 2, 3 en 4;
- de vader te veroordelen om uiterlijk binnen een dag na betekening van het arrest uitvoering te geven aan de hiervoor gevorderde voorlopige zorgregeling;
- de vader te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten.
2.16.
De vader concludeert in hoger beroep tot verwerping van het door de moeder ingestelde hoger beroep, met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding in beide instanties.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Het hof zal hierna de vorderingen van de moeder in hoger beroep per vordering bespreken.
Zorgregeling primaire vordering
3.2.
De moeder vordert primair om voorlopig, totdat in de bodemprocedure in hoger beroep door het hof Den Bosch hierover is beslist, een week op week af-zorgregeling vast te stellen. Het hof wijst deze vordering af.
3.3.
Ten eerste is het hof van oordeel dat de moeder geen spoedeisend belang heeft bij deze gevraagde voorziening. De moeder heeft op dit moment structurele omgang met [de minderjarige] . [de minderjarige] is namelijk feitelijk een weekend in de twee weken bij de moeder. De moeder wil dat [de minderjarige] een hele week bij haar is. Aanvankelijk had de moeder zich in de stukken en ter zitting op het standpunt gesteld dat de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de vader in het geding is. Op vragen van het hof naar aanleiding van het feit dat de moeder niet de volledige zorg vordert in hoger beroep, is namens de moeder verklaard dat zij zich geen zorgen maakt dat de vader [de minderjarige] iets aandoet of dat het bij hem anderszins niet veilig is voor [de minderjarige] . Dit vormt dus geen spoedeisend belang om de zorgregeling voor de duur van de bodemprocedure te wijzigen. Volgens de moeder is het spoedeisend belang om in deze kort geding procedure een week op week af-zorgregeling te vorderen, vooral gelegen in de omstandigheid dat [de minderjarige] op dit moment, zo meent de moeder, niet of nauwelijks door de vader zelf maar grotendeels door de grootvader (vz) en zijn partner wordt verzorgd, omdat de vader in een safe house verblijft en daarnaast ook veel werkt. De moeder stelt dat deze verzorging door derden niet toereikend is voor [de minderjarige] . De moeder is wel volledig beschikbaar voor [de minderjarige] en daarom wil zij een week op week af-zorgregeling. Het hof overweegt dat - los van de vraag of [de minderjarige] de afgelopen periode inderdaad grotendeels door de grootvader (vz) en zijn partner is verzorgd, hetgeen door de vader wordt betwist - de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij eind januari 2026 weer thuis zal wonen. Het hof gaat er dus van uit dat dit inmiddels het geval is en dat hij vanaf nu in elk geval weer de verzorging van [de minderjarige] op zich kan nemen (voor zover hij dat de afgelopen periode niet al heeft gedaan). Daarbij merkt het hof op dat het niet ongebruikelijk is dat een ouder wanneer hij of zij moet werken, de zorg voor een kind overlaat aan iemand anders. Het hof ziet in het door de moeder gestelde belang dus geen spoedeisend belang.
3.4.
Daarnaast is het hof van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de door de moeder gevraagde wijziging van de zorgregeling zich niet leent voor een beoordeling in een kort geding procedure. Zoals hiervoor al benoemd, heeft de moeder nu een weekend in de twee weken omgang en wil zij een hele week omgang. Dit betreft een aanzienlijke wijziging van de huidige zorgregeling. Het hof is van oordeel dat dit beoordeeld moet worden in de bodemprocedure die momenteel bij het hof Den Bosch loopt naar aanleiding van het door de moeder ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025. Voor zover de moeder heeft gesteld dat het mogelijk nog lang kan duren voordat het hof Den Bosch een uitspraak zal doen, doet dit niet af aan bovenstaand oordeel dat het hof niet is gebleken van een spoedeisend belang op grond waarvan de beslissing in de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.
Zorgregeling subsidiaire vordering
3.5.
De moeder vordert subsidiair om te bepalen dat, zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025, aangepast aan het lesrooster van [de minderjarige] , de moeder om de week vanaf vrijdag uit school tot maandagochtend naar school voor [de minderjarige] zal zorgen en daarnaast van woensdag uit school tot donderdag naar school.
3.6.
Naar het oordeel van het hof kan deze vordering op twee manieren worden opgevat. Enerzijds kan de vordering worden gezien als vordering tot nakoming van de zorgregeling zoals deze door de rechtbank Rotterdam in de beschikking van 26 maart 2025 is bepaald voor de periode vanaf het moment dat de moeder in de omgeving van [woonplaats2] woont. Anderzijds kan de vordering worden aangemerkt als een vordering tot wijziging van de huidige feitelijke zorgregeling van een weekend in de twee weken.
3.7.
Voor zover de moeder met haar vordering heeft beoogd nakoming te vorderen van de bij beschikking van 26 maart 2025 bepaalde zorgregeling, wijst het hof deze vordering af. Bij die beschikking zijn twee zorgregelingen bepaald: één voor de periode dat de moeder nog in [woonplaats1] woont en één voor de periode vanaf het moment dat de moeder in de omgeving van [woonplaats2] woont. Naar het oordeel van het hof is er op dit moment feitelijk geen sprake van een situatie dat de moeder in de omgeving van [woonplaats2] woont en dat zij dus - conform de beslissingen in eerdere beschikkingen - is verhuisd naar de omgeving van [woonplaats2] . Weliswaar hebben de grootouders (mz) in augustus 2025 een recreatiewoning in [plaats3] (gelegen binnen een straal van 30 autominuten vanaf de woning in [woonplaats2] ) gekocht waar de moeder gebruik van mag maken. Maar naar het oordeel van het hof bevindt het centrum van het leven van de moeder zich niet in en rond [plaats3] (of de omgeving van [woonplaats2] ). Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder het merendeel van de tijd in [woonplaats1] verblijft. Bovendien heeft de moeder verklaard dat zij ook (het grootste deel van) het omgangsweekend met [de minderjarige] in [woonplaats1] is, omdat [de minderjarige] dat wil. Dit betekent dat ook [de minderjarige] , wanneer zij bij de moeder is, niet het centrum van haar leven in de omgeving van [woonplaats2] heeft. Nu de moeder nog niet in de omgeving van [woonplaats2] woont, kan er geen sprake zijn van nakoming van de zorgregeling voor die situatie.
3.8.
Voor zover de vordering moet worden opgevat als vordering tot wijziging van de bij beschikking van 26 maart 2025 bepaalde zorgregeling, heeft de moeder geen spoedeisend belang bij de gevraagde vordering. [de minderjarige] is op dit moment feitelijk al één keer in de twee weken een weekend bij de moeder. De gevraagde wijziging van de zorgregeling zou tot gevolg hebben dat de huidige feitelijke zorgregeling wordt uitgebreid met wekelijks één extra omgangsmoment van woensdag uit school tot donderdag naar school. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van een spoedeisend belang om voor de duur van de procedure in de bodemzaak de huidige zorgregeling op die relatief geringe manier te wijzigen. Ook wanneer er wel sprake zou zijn van een spoedeisend belang, zou het hof alsnog deze vordering van de moeder afwijzen. De door de moeder gevorderde wijziging zou in de huidige feitelijke situatie immers te veel onduidelijke gevolgen hebben voor [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft zoals door de moeder aangegeven één keer in de twee weken een weekend in [woonplaats1] . Als [de minderjarige] daarnaast van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de moeder zou zijn, zou dit ofwel in een recreatiewoning in [plaats3] zijn, omdat dit dicht bij de school is, ofwel bij de moeder in [woonplaats1] . In het eerste geval geeft dit voor [de minderjarige] veel wisselende woonplekken en in het tweede geval veel reistijd. Naar het oordeel van het hof wordt dit in alle gevallen te onrustig voor de 5-jarige [de minderjarige] , die in haar jonge leven al veel heeft meegemaakt en nog altijd meemaakt. Ook voor deze vordering en dat wat de moeder in dit verband heeft aangevoerd geldt dus dat dit verder in de bodemprocedure bij het hof Den Bosch beoordeeld moet worden.
Facetime-gesprek tussen vader en [de minderjarige]
3.9.
De moeder heeft het hof gevraagd om te bepalen dat de vader iedere dinsdag zijn medewerking zal verlenen aan een Facetime-gesprek tussen [de minderjarige] en de moeder.
3.10.
Het hof is van oordeel dat de moeder wel een spoedeisend belang heeft bij deze vordering. Op dit moment geldt de beslissing van de rechtbank Rotterdam uit de beschikking van 26 maart 2025, inhoudende dat [de minderjarige] (ten minste) eenmaal per week op een doordeweekse dag rond 17:00 uur in de gelegenheid wordt gesteld om met de moeder Facetime-contact te hebben, waarbij de vader steeds uiterlijk een half uur tevoren meldt dat hij het Facetime-contact tot stand gaat brengen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat dit Facetime-contact niet structureel plaatsvindt of onvoldoende van de grond komt. Het hof acht het in het belang van de 5-jarige [de minderjarige] dat zij wekelijks een beeldbelcontact met haar moeder heeft. Dat er nu niet structureel beeldbelcontact tussen de moeder en [de minderjarige] plaatsvindt, lijkt te komen doordat voor de vader en de moeder en ook voor [de minderjarige] onvoldoende concreet is wanneer dat contact zal plaatsvinden. Het hof kan zich voorstellen dat het helpend kan zijn wanneer er een vaste dag en een vast tijdstip wordt vastgelegd voor het beeldbelcontact, zodat voor iedereen duidelijk is wat de afspraak is. Aangezien de moeder in haar vordering alleen een dag (de dinsdag) noemt, zal het hof alleen die dag vaststellen. De rechtbank heeft al een vast tijdstip bepaald, namelijk rond 17:00 uur, zodat dit tijdstip blijft gelden.
3.11.
Het hof ziet geen aanleiding om een dwangsom op te leggen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat hij vaak aan [de minderjarige] vraagt of ze wil bellen met haar moeder, maar dat ze dat niet wil en wegloopt. Nu de vader wel probeert het contact tot stand te brengen, gaat het hof ervan uit dat de vader zijn medewerking zal verlenen aan het mogelijk maken van een Facetime-contact tussen [de minderjarige] en de moeder wekelijks op de dinsdag rond 17:00 uur.
Werkrooster vader
3.12.
Verder heeft de moeder het hof gevraagd om te bepalen dat de vader zijn werkrooster aan de moeder zal toezenden zodra dat beschikbaar komt. Tijdens de mondelinge behandeling is namens de moeder toegelicht dat het werkrooster van de vader met name van belang is omdat de moeder voor [de minderjarige] kan zorgen wanneer de vader werkt.
3.13.
Het hof is van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij deze vordering. Op dit moment voeren de ouders feitelijk een zorgregeling uit, waarbij [de minderjarige] een weekend in de twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de moeder is. In deze situatie is het niet nodig dat de moeder beschikt over het werkrooster van de vader. Het hof zal deze vordering dan ook afwijzen.
De conclusie
3.14.
Aangezien de moeder in hoger beroep haar vorderingen heeft gewijzigd ten opzichte van haar vorderingen in eerste aanleg, zal het hof om doelmatigheidsredenen het bestreden vonnis vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof zal opnieuw recht doen en de vorderingen van de moeder in hoger beroep afwijzen, met uitzondering van de vordering over het Facetime-contact met [de minderjarige] . Het hof zal naar aanleiding van die vordering bepalen zoals hierna onder ‘4. De beslissing’ wordt vermeld.
3.15.
De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3.16.
Beide ouders hebben gevorderd de andere partij te veroordelen in de proceskosten van dit geding. De vader heeft hiertoe aangevoerd dat de moeder misbruik maakt van haar procesbevoegdheid. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende grond is om te oordelen dat de moeder misbruik maakt van haar bevoegdheid om te procederen. Het hof zal deze vorderingen afwijzen en bepalen dat iedere partij zijn eigen kosten draagt (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 20 oktober 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
4.2.
wijst de vorderingen van de moeder in hoger beroep af, met uitzondering van de vordering over het Facetime-contact met [de minderjarige] ;
4.3.
bepaalt aanvullend aan de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2025 dat de vader iedere dinsdag zijn medewerking zal verlenen om het onder 4.5 van die beslissing genoemde Facetime-contact tussen [de minderjarige] en de moeder te laten plaatsvinden;
4.4.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de voorzieningenrechter en het hof;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Coster, A.P. de Jong - de Goede en S. Rezel, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.