ECLI:NL:GHARL:2026:980

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
200.362.587/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt gebieds- en contactverbod moeder in belang minderjarige

De moeder en vader zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, geboren in 2021. De moeder was door de voorzieningenrechter verboden om met het kind naar Indonesië of het buitenland te verhuizen en kreeg een gebieds- en contactverbod opgelegd. De vader vorderde in kort geding een gebieds- en contactverbod en vervangende toestemming voor therapie van het kind.

De voorzieningenrechter wees de meeste vorderingen van de vader toe, waaronder het gebieds- en contactverbod en de vervangende toestemming voor therapie. De moeder stelde hoger beroep in tegen dit vonnis, met name tegen het gebieds- en contactverbod en het uitschrijvingsgebod bij de gemeente.

Het hof oordeelde dat het gebieds- en contactverbod noodzakelijk is vanwege het reële risico dat de moeder het kind naar Indonesië zal ontvoeren, mede omdat Indonesië niet is aangesloten bij het Kinderontvoeringsverdrag. De moeder had plannen en voorbereidingen getroffen voor een langdurig verblijf in Indonesië en beschikt nog over de Indonesische nationaliteit en reisdocumenten. Het hof bevestigde het contactverbod vanwege de bedreigingen en de veiligheid van het kind. Het uitschrijvingsgebod bij de gemeente werd vernietigd omdat de moeder zich inmiddels had uitgeschreven.

De vervangende toestemming voor therapie werd gehandhaafd om de continuïteit van de noodzakelijke hulpverlening te waarborgen. De door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom werd niet disproportioneel bevonden. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bevestigt het gebieds- en contactverbod en vervangende toestemming voor therapie, maar vernietigt het uitschrijvingsgebod bij de gemeente.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.587/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 202244
arrest in kort geding van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellant](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.O. Hovinga te Leeuwarden,
en
[geïntimeerde](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden op 5 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken, verbeterd bij vonnis van 3 december 2025. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep met daarbij de memorie van grieven met bijlage(n);
  • de memorie van antwoord met bijlage(n).
1.2.
Op 20 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn [in] 2020 met elkaar gehuwd. Zij hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure aanhangig bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.
2.2.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] (hierna ook: [minderjarige] ), geboren [in] 2021.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk met het ouderlijke gezag over [minderjarige] belast.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 26 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter van
de rechtbank Noord-Nederland onder andere op basis van afspraken die de ouders op de zitting hebben gemaakt en mede in afwachting van de voorlopige voorzieningenprocedure in de echtscheidingszaak:
- de moeder verboden om met [minderjarige] te verhuizen naar Indonesië of enig ander buitenland;
- bepaald dat de moeder voorlopig met uitsluiting van de vader gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning;
- [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader;
- bepaald dat [minderjarige] voorlopig contact heeft met de moeder in het bijzijn van de aan partijen bekende ' [naam1] ' en dat zij verder videobelcontacten hebben in overleg met de hulpverlening van [instantie1] ;
- de proceskosten gecompenseerd.
2.5.
Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland in de voorlopige voorzieningenprocedure:
- bepaald dat [minderjarige] voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd;
- bepaald dat [minderjarige] en de moeder voorlopig twee maal per week begeleide omgang hebben gedurende twee uur, onder regie van [instantie1] dan wel een andere organisatie;
- bepaald dat de vader met ingang van 16 september 2025 voorlopig met uitsluiting van de moeder gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de moeder de woning verlaat en niet meer betreedt;
- bepaald dat de moeder voorlopig € 130,- per maand moet betalen aan de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
2.6.
Verder heeft de rechtbank in de echtscheidingsprocedure bij beschikking van 16 juli 2025 de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar het hoofdverblijf en welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen het meest in het belang is van [minderjarige] .
2.7.
De vader heeft bij de voorzieningenrechter op 16 oktober 2025 en na wijziging van de eis op 17 oktober 2025 gevorderd om:
- de moeder te verbieden om zich binnen 24 uur na betekening van het vonnis en voor de duur van één jaar, te bevinden of te begeven in de gemeente [gemeentenaam] te [woonplaats] , specifiek in het gebied dat als overzicht/plattegrond als productie 1 is ingebracht door de vader;
- de moeder te verbieden vanaf 24 uur na betekening van het vonnis en voor de duur van één jaar contact te zoeken of te onderhouden met de vader, waaronder in ieder geval moet worden begrepen: het aanspreken van de vader, het opwachten van de vader, het volgen van de vader, het opnemen van telefonisch of schriftelijk contact met de vader, het verzenden van sms-berichten, whatsappberichten, e-mails of soortgelijke berichten aan de vader;
- de moeder te gebieden om zich binnen 24 uur na betekening van het vonnis bij de basisadministratie van de gemeente uit te schrijven als bewoner/ingeschrevene van/op het [adres] te [woonplaats] , en te bepalen dat als de moeder op eerste verzoek van de vader weigert mee te werken aan deze uitschrijving, dit vonnis op grond van art. 3:300 lid 1 BW Pro dezelfde kracht heeft als een door de moeder ondertekende volmacht aan de vader om deze rechtshandeling ook namens haar te verrichten;
- de vader vervangende toestemming te verlenen, ter vervanging van de toestemming van de moeder, voor het starten van de noodzakelijke therapie van [minderjarige] en het volgen daarvan middels [instantie2] , kinder- en jeugdpsychiatrie;
- te bepalen dat de moeder een dwangsom zal verbeuren van € 500,- voor iedere keer dat zij niet aan de uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
- de moeder te veroordelen in de proceskosten.
2.8.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de vader grotendeels toegewezen en bij het bestreden vonnis, na herstel bij vonnis van 3 december 2025:
- de moeder verboden om zich met ingang van 24 uur na betekening van dit vonnis gedurende zes maanden te bevinden in de gebieden zoals aangegeven in productie 1 door de vader ingebracht, waarbij ten aanzien van het gebied rondom de school van [minderjarige] geldt dat dit verbod alleen geldt binnen de schooltijden van [minderjarige] alsmede een halfuur daarvoor en een half uur daarna;
- de moeder verboden om met ingang van 24 uur na betekening van dit vonnis gedurende zes maanden contact te zoeken en/of te onderhouden met de vader, waaronder in ieder geval wordt verstaan het aanspreken van de vader, het opwachten van de vader, het volgen van de man, het opnemen van telefonisch/schriftelijk contact met de vader, het verzenden van sms-, whatsapp-, e-mailberichten of soortgelijke berichten aan de vader;
- de moeder geboden om zich binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis bij de
basisadministratie van de gemeente [gemeentenaam] uit te laten schrijven van het [adres]
te [woonplaats] en bepaald dat als de moeder hier niet tijdig aan voldoet, dit vonnis dezelfde kracht heeft als een door de moeder ondertekende volmacht aan de vader om deze rechtshandeling ook namens haar te verrichten;
- aan de vader vervangende toestemming verleend, die de toestemming van de moeder vervangt, voor het starten van de noodzakelijke therapie van [minderjarige] bij [instantie2] , en voor het volgen daarvan;
- bepaald dat de moeder, als zij niet voldoet aan wat hiervoor onder de eerste drie gedachtestreepjes staat weergegeven, per keer een dwangsom verbeurt van € 250,-, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de proceskosten gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
2.9.
De moeder vordert in hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vader alsnog in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn vorderingen af te wijzen en de kosten van beide instanties te compenseren.
2.10.
De vader concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de moeder in het ingestelde hoger beroep, althans tot afwijzing van het ingestelde beroep, met bevestiging van het bestreden vonnis.
2.11.
Het hof laat het bestreden vonnis deels in stand en beslist voor een deel anders.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Gebod om zich bij de basisadministratie van de gemeente [gemeentenaam] uit te laten schrijven van het [adres] te [woonplaats]
3.1.
De moeder heeft zich naar aanleiding van het bestreden vonnis inmiddels uitgeschreven. Daarom heeft de vader nu geen belang meer bij deze vordering. Omdat het gebod ten tijde van de beslissing van de voorzieningenrechter wel noodzakelijk was, zal het hof die beslissing in stand laten tot de datum van het arrest van het hof en de vordering voor het overige afwijzen.
Gebieds- en contactverbod
3.2.
Naar het oordeel van het hof is met de aard van de vorderingen, te weten een gebieds- en contactverbod onder oplegging van een dwangsom, de spoedeisendheid gegeven.
3.3.
Het hof overweegt dat een gebieds- en contactverbod een inbreuk kan vormen op het aan een ieder toekomende recht om vrijelijk contact op te kunnen nemen met een ander, dan wel om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen. Voor het toewijzen van zulke ingrijpende maatregelen moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo’n inbreuk kunnen rechtvaardigen.
3.4.
Het hof is van oordeel dat in dit kort geding voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op basis waarvan een gebieds- en contactverbod ten laste van de moeder nu nog noodzakelijk is. Het hof vindt ook dat de voorzieningenrechter zijn beslissing zorgvuldig heeft gemotiveerd. Het hof neemt die motivering over en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.
3.5.
Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar de toelichtingen en concludeert hieruit dat er zonder het opgelegde gebieds- en contactverbod een aanzienlijk risico bestaat dat de moeder [minderjarige] zal ontvoeren naar Indonesië. Daarnaast is het risico groot dat dan door toedoen van de moeder opnieuw situaties ontstaan die door de vader als zeer belastend en met het oog op de veiligheid van [minderjarige] als bedreigend worden ervaren.
3.6.
De moeder heeft erkend dat zij het plan heeft gehad om met [minderjarige] te verhuizen naar Indonesië en daar voor langere tijd te verblijven, namelijk volgens de moeder voor één jaar. Hierop vooruitlopend heeft zij zelfs onderzoek gedaan naar de schoolmogelijkheden voor [minderjarige] in Indonesië. Ook staat vast dat de moeder spullen van [minderjarige] naar Indonesië heeft gestuurd. Dit betrof niet alleen babykleren, zoals de moeder heeft gesteld, maar ook spullen die [minderjarige] op dat moment nog steeds kon gebruiken. De moeder heeft veel geld overgemaakt naar Indonesië, waarvan land is aangekocht, waar de moeder een supermarkt wilde beginnen. De moeder staat in Indonesië nog ingeschreven op het adres van haar moeder en zij, heeft nog een geldig Indonesisch rijbewijs. Gebleken is verder dat de moeder haar Indonesische paspoort nog niet heeft ingeleverd, zodat zij naast de Nederlandse nationaliteit -dit sinds 2019- ook nog steeds de Indonesische nationaliteit heeft. Weliswaar heeft de moeder gesteld dat Indonesië niet toestaat om een dubbele nationaliteit te hebben, maar de moeder heeft ook bevestigd dat zij desondanks naast de Nederlandse nationaliteit de Indonesische nationaliteit behoudt totdat zij haar Indonesische paspoort inlevert. De moeder heeft verklaard dat zij haar Indonesische paspoort niet heeft kunnen inleveren omdat de vader haar paspoorten op dit moment achterhoudt. Dit neemt echter niet weg, zo heeft de vader daartegenover onweersproken aangevoerd, dat de moeder dus wel aan vervangende reisdocumenten voor Indonesië zou kunnen komen voor haar en [minderjarige] . Daarbij had de moeder al in 2019 of in de jaren daarna, toen partijen nog samen waren en de moeder wel de beschikking over haar paspoorten kon hebben, haar paspoort kunnen inleveren en heeft zij dit niet gedaan.
3.7.
Uit voormelde gegevens blijkt dat de moeder gevorderde plannen heeft gehad om met [minderjarige] af te reizen naar Indonesië, terwijl uit niets blijkt dat zij die plannen nu niet meer heeft of dat zij nu daarvoor geen mogelijkheden meer heeft. De moeder stelt weliswaar dat bedoelde plannen niet meer aan de orde zijn, maar het hof acht gezien voormelde vaststaande feiten het risico volop aanwezig, dat de moeder met [minderjarige] naar Indonesië zal vertrekken zodra zij de kans krijgt. Dit risico weegt extra zwaar omdat Indonesië niet is aangesloten bij het Kinderontvoeringsverdrag op grond waarvan de teruggeleiding van [minderjarige] kan worden gevraagd.
3.8.
Het hof weegt verder mee dat de moeder opvallend vaak, zonder daarvoor een goede reden te geven, in de buurt van de woning van de vader is geweest. Daarnaast heeft de moeder aangegeven dat het gebiedsverbod voor haar nu, gezien haar huidige verblijfplaatsen niet ingrijpend is.
3.9.
De vader heeft gesteld dat hij meermaals door de moeder is bedreigd met appjes en dat hij contact met haar als zeer belastend ervaart. Dit is door de moeder niet betwist. De raad heeft hieraan toegevoegd dat het opgelegde contactverbod enige rust zal brengen in de verhouding tussen partijen en daarmee ook voor [minderjarige] .
Vervangende toestemming, die de toestemming van de moeder vervangt, voor het starten van de noodzakelijke therapie van [minderjarige] bij [instantie2] , en voor het volgen daarvan
3.10.
De moeder heeft weliswaar toestemming gegeven voor starten van die hulpverlening, maar heeft tevens te kennen gegeven deze niet noodzakelijk te achten. Bij de vader speelt de vraag of de moeder haar toestemming niet tussentijds zal intrekken. Dit omdat zij het niet noodzakelijk acht en andere dingen volgens de vader voor laat gaan en daardoor niet goed meewerkt. Het hof acht het, wat hier ook van zij, in het belang van [minderjarige] , dat zij in ieder geval de behandeling krijgt en blijft krijgen die zij nodig heeft. Dit wordt met de door de voorzieningenrechter gegeven vervangende toestemming gewaarborgd, nu dit niet alleen de toestemming zelf, maar ook het volgen van de therapie omvat. Ook op dit punt zal het bestreden vonnis in stand worden gelaten.
Dwangsom
3.11.
Anders dan de moeder heeft gesteld acht het hof de door de voorziensrechter opgelegde dwangsom niet disproportioneel. Het hof zal de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom daarom in stand laten.
Proceskosten
3.12.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt, omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 november 2025, zoals verbeterd bij het vonnis van 3 december 2025, uitsluitend wat betreft het in dat vonnis neergelegde gebod om zich bij de basisadministratie van de gemeente [gemeentenaam] uit te laten schrijven van het [adres] te [woonplaats] en uitsluitend vanaf de datum van dit arrest;
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 november 2025, zoals verbeterd bij het vonnis van 3 december 2025, voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Coster, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en K.H.P. Selcraig en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.