In deze zaak stond de vraag centraal of tussen de Stichting Het Noordbrabants Landschap en de geïntimeerde een geldige pachtovereenkomst bestond met betrekking tot twee percelen weiland. De pachtkamer van het kantongerecht te 's Hertogenbosch had eerder vonnissen gewezen waarin het bestaan van deze overeenkomst werd erkend en schriftelijk vastgelegd.
Het Noordbrabants Landschap ging in hoger beroep tegen deze vonnissen en voerde onder meer aan dat de pachter niet-ontvankelijk verklaard moest worden en dat de overeenkomst niet bestond. Het hof heeft de grieven van het Noordbrabants Landschap onderzocht en geoordeeld dat de pachtkamer terecht had vastgesteld dat de pachter de grond sinds het voorjaar van 1987 in gebruik had ter uitoefening van de landbouw, hetgeen werd ondersteund door bankafschriften van jaarlijkse betalingen en getuigenverklaringen.
Het hof verwierp het verweer dat de grond slechts voor hobbydoeleinden werd gebruikt en dat de bevoegdheid tot verpachting niet was overgedragen aan de stichting. De grond was eigendom van de oorspronkelijke verpachter die de grond aan de pachter in gebruik had gegeven. De eerdere vonnissen werden daarom bekrachtigd en het Noordbrabants Landschap werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.