ECLI:NL:GHARN:1994:AA4033

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
19 oktober 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
940535
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • D.C. Smit
  • W.J.N.M. Nijman
  • Wolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening woonforensenbelasting gemeenteArt. 275 GemeentewetArt. 288 GemeentewetArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling woonschip als gemeubileerde woning voor woonforensenbelasting

In deze zaak stond centraal de vraag of het woonschip van belanghebbende, dat hij in 1988 tot zijn beschikking had in de gemeente, kon worden aangemerkt als een gemeubileerde woning in de zin van de Verordening woonforensenbelasting van die gemeente.

Belanghebbende voerde aan dat zijn woonschip niet voldeed aan de vereisten van een woning, onder meer vanwege onvoldoende verwarming en het feit dat hij er geen hoofdverblijf hield. Het hof stelde vast dat het schip een betonnen onderbak met houten opbouw had, voorzien van woonruimten, keukenhoek, twee slaapkamers, isolatie, aansluiting op elektriciteit en waterleiding, en een toilet met waterspoeling.

Het hof oordeelde dat het woonschip bestemd en geschikt was voor duurzame menselijke bewoning, ook al was het niet in alle jaargetijden volledig bruikbaar. Het arrest van de Hoge Raad uit 1962 werd als leidraad genomen, waarin werd bepaald dat woonschepen onder het begrip gemeubileerde woning kunnen vallen. Het beroep van belanghebbende werd daarom verworpen en de aanslag woonforensenbelasting gehandhaafd.

Daarnaast werd belanghebbende in het gelijk gesteld wat betreft vergoeding van het griffierecht, omdat hij zich op een eerdere uitspraak van het hof te Leeuwarden kon beroepen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 1994 te Arnhem.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat het woonschip als gemeubileerde woning geldt en handhaaft de woonforensenbelastingaanslag.

Uitspraak

G E R E C H T S H O F
A R N H E M
BELASTINGKAMER
Nr. 940535
Het gerechtshof te Arnhem, eerste meervoudige belastingkamer;
Gezien het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van
2 maart 1994, nummer 29.642, gewezen op het beroep in cassatie van burgemeester en wethouders van de gemeente *P tegen de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden van 2 april 1993 betreffende de aan *X te *Z voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de woonforensenbelasting van de gemeente *P voor het object "Woonschip *a", bij welk arrest de voormelde uitspraak is vernietigd en het geding is verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het genoemde arrest;
Gezien de overige stukken, waaronder een afschrift van de voormelde uitspraak, de door de gemachtigden van belanghebbende en van b en w overgelegde notities van hun bij de mondelinge behandeling gehouden pleidooien welke als in deze uitspraak ingelast moeten worden beschouwd, het proces-verbaal van de door het hof ter na te noemen zitting gedane mondelinge uitspraak en een schriftelijk verzoek van belanghebbende de mondelinge uitspraak door een schriftelijke te vervangen;
Gehoord ter zitting van 17 juni 1994 te Arnhem
belanghebbende, diens gemachtigde, *A, en *B, als gemachtigde van b en w;
Overwegende, dat bij de uitspraak van b en w op het bezwaarschrift van belanghebbende de aanslag ten bedrage van ¦ 525,-- is gehandhaafd;
Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting van dit hof verhandelde als vaststaand kan worden aangemerkt:
(1.1) In 1988 hield belanghebbende geen hoofdverblijf in de gemeente *P en hield hij het vorenaangeduide woonschip tot zijn beschikking.
(1.2) Het woonschip bestond uit een betonnen onderbak met een eenvoudige houten opbouw. Het schip was 12 meter lang,
4 meter breed en 3,5 meter hoog. Op het schip waren een woonkamer met keukenhoek en twee slaapkamers aanwezig.
De kamers waren, zoals gebruikelijk 2,5 meter hoog. Het schip was aangesloten op het electriciteits- en waterleidingnet; de aansluitingen waren slechts van 1 april tot 1 oktober te gebruiken. Er was geen gasaansluiting, maar belanghebbende maakte gebruik van gasflessen. Het schip was voorzien van een toilet met waterspoeling, waarvan de afvoer rechtstreeks in het havenwater uitkwam.
Op het schip was een geiser aanwezig; een op een overgelegde foto zichtbare ontluchtingspijp vervulde een functie ten behoeve van de geiser. De wanden, de ramen en het dak van het woonschip waren geïsoleerd;
Overwegende, dat de Hoge Raad in zijn verwijzingsarrest onder meer heeft overwogen:
"3.1. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die in het onderhavige jaar geen hoofdverblijf hield in de gemeente *P, had in dat jaar een betrekkelijk eenvoudig woonschip in die gemeente tot zijn beschikking.
3.2. In cassatie is de vraag aan de orde of dat woonschip een gemeubileerde woning in de zin van artikel 1, van de Verordening woonforensenbelasting van de gemeente *P is. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat onder het begrip "gemeubileerde woning" in de zin van artikel 275 van Pro de gemeentewet, op welke bepaling artikel 1 van Pro de Verordening steunt, nimmer woonschepen vallen. Dat oordeel is onjuist. In zijn arrest van 19 december 1962, nr. 14.905, BNB 1963/95 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat sprake is van een "gemeubileerde woning" in de zin van het toenmalige artikel 288 van Pro de gemeentewet, voor welke bepaling artikel 275 in Pro de plaats is getreden, indien die gemeubileerde woning op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam - zij het niet bepaaldelijk in alle jaargetijden - voor menselijke bewoning te dienen, zonder dat wordt acht geslagen op de mate waarin daarvan werkelijk gebruik wordt gemaakt.
De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van
24 december 1970, Stb. 608, biedt onvoldoende steun aan de opvatting dat naar de bedoeling van de wetgever aan dat begrip thans een meer beperkte, en in het bijzonder woonschepen en caravans uitsluitende, betekenis zou toekomen. Het middel treft derhalve doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.";
Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vraag betreft of belanghebbendes woonschip een gemeubileerde woning in de zin van artikel 1, van de Verordening woonforensenbelasting van de gemeente *P is;
Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat ter zitting van dit hof - afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen - nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd:
Namens belanghebbende:
(2.1) Zijn woonschip heeft boven de vloer een hoogte van ongeveer 2½ meter. De ruimte daaronder zit onder de waterspiegel.
(2.2) Zijn woonschip heeft geen adequate verwarming. Die vindt elektrisch plaats. Wordt er daarnaast nog stroom verbruikt, dan slaat de stop door. Elektra is er voor de helft van het jaar.
(2.3) Als elke woonarkeigenaar maakt hij het schip zo bewoonbaar mogelijk. Dit jaar is hij er nog maar één dag verbleven.
Namens b en w:
(3.1) Zij erkennen dat de ruimten in het woonschip 2½ meter hoog zijn. Die hoogte komt overeen met de kamerhoogte in een doorsnee-dorpswoning;
Overwegende omtrent het geschil:
(4.1) Naar het oordeel van het hof hebben b en w terecht het standpunt ingenomen, dat belanghebbendes woonschip was aan te merken als een gemeubileerde woning welke op zichzelf beschouwd zowel bestemd als geschikt was om enigszins duurzaam - zij het niet bepaaldelijk in alle jaargetijden - voor menselijke bewoning te dienen.
(4.2) Daaraan doet belanghebbendes stelling dat hij niet over een adequate verwarming beschikte, niet af, dit te meer omdat van de zijde van b en w onweersproken is aangevoerd dat verwarming met electrische (radiator)kachels en gaskachels uitgevoerd als gevelkachel wel mogelijk was.
(4.3) De voorschriften van het Bouwbesluit waarnaar belanghebbende verwijst, en de mate waarin belanghebbende zijn schip in feite gebruikte, missen voor dit geding betekenis.
(4.4) Het standpunt van belanghebbende dat slechts heffing van woonforensenbelasting mogelijk is ingeval de woning van een niet-ingeschreven bewoner gelijkwaardig is aan de woningen van wel-ingeschreven bewoners, vindt geen steun in het recht.
(4.5) Belanghebbende voert onweersproken aan dat hij zich voor zijn zienswijze op een uitspraak van het hof te Leeuwarden kon beroepen. Het hof vindt daarom aanleiding vergoeding van het griffierecht te gelasten.
(4.6)Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling
in proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken;
Recht doende:
Bevestigt de uitspraak waarvan beroep;
Gelast b en w aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ¦ 75,-- te vergoeden.
Aldus gedaan op 19 oktober 1994 te Arnhem door mr. Smit, vice-president, als voorzitter, mrs. Nijman en Wolt, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Snoijink als griffier.
(W.J.N.M. Snoijink) (D.C. Smit)
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op
19 oktober 1994
[Zie ook arrest HR nummer 30790 (red.)]