ECLI:NL:GHARN:1995:AA4653
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.M. van Schie
- Rechtspraak.nl
Geschil over navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en vervangingsreserve
Belanghebbende, een fiscale eenheid met *C B.V., betwist de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1988, waarbij een belastbaar bedrag werd vastgesteld met een verhoging van 100%, waarvan 75% werd kwijtgescholden. De zaak draait om de vraag of de inspecteur het tot navordering leidende feit redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het vaststellen van de primitieve aanslag.
Daarnaast is in geschil of de inspecteur een eerdere standpuntbepaling had ingenomen over de vervangingsreserve, waarop belanghebbende mocht vertrouwen, en of sprake was van verlies of beschadiging van bedrijfsmiddelen die rechtvaardigen tot het vormen van een vervangingsreserve. Belanghebbende stelde dat de schadevergoeding verband hield met vermogensverlies door het staken van een veerdienst na de aanleg van een brug.
De inspecteur stelde dat de onjuiste beantwoording van een ja/nee-vraag in de aangifte leidde tot administratieve afdoening zonder nader onderzoek en dat het risico daarvan bij belanghebbende lag. Het hof oordeelde dat de inspecteur het tot navordering aanleiding gevende feit niet redelijkerwijs bekend kon zijn bij het vaststellen van de primitieve aanslag. De vorming van de vervangingsreserve werd niet aanvaard omdat geen aannemelijk voornemen tot vervanging van bedrijfsmiddelen was gebleken.
Het hof vernietigde het besluit tot gedeeltelijke kwijtschelding van de verhoging en verleende alsnog kwijtschelding van de verhoging, handhaafde de navorderingsaanslag, en veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt gehandhaafd, het besluit tot gedeeltelijke kwijtschelding van de verhoging wordt vernietigd en volledige kwijtschelding van de verhoging wordt verleend.