ECLI:NL:GHARN:1995:AA4674

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
16 februari 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
940688
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D.C. Smit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 EEG-verordening 918/83Art. 91 RVBIArt. 123 Wet inzake de douaneArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging belastingaanslag na diefstal en eigendomsoverdracht auto met voorwaardelijke vrijstelling

Belanghebbende had een in 1990 gebouwde Porsche als verhuisgoed met een voorwaardelijke vrijstelling ten invoer aangegeven. Na diefstal in mei 1992 droeg zij de auto over aan haar verzekeraar, die haar een uitkering betaalde ter waarde van de marktwaarde inclusief belasting. De auto werd later door de verzekeraar aan een derde verkocht en kwam weer in het vrije verkeer.

Belanghebbende stelde dat de overdracht aan de verzekeraar niet uit vrije wil was geschied en daarom niet als overdracht in de zin van de EEG-verordening 918/83 kon worden beschouwd. Ook beriep zij zich op de hardheidsclausule van artikel 91 RVBI Pro, welke volgens haar niet was toegepast.

Het hof oordeelde dat de overdracht wel degelijk een overdracht onder bezwarende titel was en dat belanghebbende de bevoegde autoriteiten niet vooraf had geïnformeerd, waardoor zij de belasting verschuldigd is. De hardheidsclausule was niet van toepassing omdat geen verzoek was gedaan en bijzondere omstandigheden ontbraken. De uitspraak van de inspecteur werd bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de belastingaanslag en wijst het beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

G E R E C H T S H O F
A R N H E M
BELASTINGKAMER
Nr. 940688
Het gerechtshof te Arnhem, eerste enkelvoudige belastingkamer;
Gezien het beroepschrift van *X, wonende te *Z, ingekomen op 8 april 1994 en gericht tegen de uitspraak d.d. 1 maart 1994 van de inspecteur van de Belastingdienst/ Douane district *P inzake het bezwaar van belanghebbende tegen de bedragen van f * aan bijzondere verbruiksbelasting van personenauto's en van f * aan omzetbelasting die zijn vermeld in de haar gedane uitnodiging tot betaling d.d. 13 oktober 1993, nummer Inv. *;
Gezien de overige stukken, waaronder het proces-verbaal van de door het hof ter na te noemen zitting gedane mondelinge uitspraak en een schriftelijk verzoek van belanghebbendes gemachtigde de mondelinge uitspraak door een schriftelijke te vervangen;
Gehoord ter zitting van 6 september 1994 te Arnhem belanghebbendes gemachtigde *A, alsmede de inspecteur voornoemd bijgestaan door de op zijn eenheid werkzame *B;
Overwegende, dat bij de uitspraak waarvan beroep de voormelde uitnodiging tot betaling is gehandhaafd;
Overwegende, dat belanghebbende in beroep verzoekt de uitnodiging tot betaling te vernietigen, terwijl de inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak;
Overwegende, dat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde het volgende als voor dit geding vaststaand kan worden aangemerkt:
(1.1) Op 4 maart 1992 heeft belanghebbende een auto, een in 1990 gebouwde Porsche, als verhuisgoed met een voorwaardelijke vrijstelling ten invoer aangegeven.
(1.2) De auto is belanghebbende op 7 of 8 mei 1992 ontstolen.
(1.3) In juli 1992 heeft belanghebbende de auto aan haar verzekeraar in eigendom overgedragen en daartegenover een uitkering van f 170.000,-- ontvangen. De inspecteur heeft onweersproken aangevoerd dat aan belanghebbende de marktwaarde van de auto inclusief belasting is vergoed. De verzekeraar heeft de auto nadat deze in goede staat was opgespoord, voor of op 19 oktober 1992 aan een derde verkocht. Het is noch gesteld noch aannemelijk geworden dat de auto is ge-ëxporteerd;
Overwegende, dat het tussen partijen bestaande geschil de vraag betreft of de inspecteur terecht het standpunt inneemt dat belanghebbende de in de uitnodiging tot betaling vermelde belastingbedragen verschuldigd is geworden;
Overwegende, dat de door partijen voor hun standpunten aangevoerde gronden in de stukken zijn vermeld en dat daaraan ter zitting - afgezien van hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen - nog het volgende, zakelijk weergegeven, is toegevoegd:
Namens belanghebbende:
(2.1) Van belang is de vraag hoe het begrip 'overdracht' in artikel 7, eerste lid, van de EEG-verordening 918/83 moet worden ge-ïnterpreteerd. Om te kunnen spreken van overdracht moet er een actieve handeling zijn. In dit geval ontbreekt het actieve element. De akte van eigendomsoverdracht heeft geen zelfstandige betekenis. De overdracht van de auto aan de verzekeraar na de diefstal is niet uit vrije wil geschied, maar om verzekerd te zijn van de uitkering van de verzekeraar. Belanghebbende heeft niet bewust de auto in het vrije verkeer willen brengen.
(2.2) De melding vooraf aan de bevoegde autoriteiten van de overdracht is ten onrechte achterwege gebleven. Een melding had echter geen verschil gemaakt. De auto is pas na 3 maanden weer in het vrije verkeer gekomen. Op het moment van melding was niet voorzienbaar dat de auto weer in het vrije verkeer zou komen en had de belastingdienst op grond van de hardheidsclausule naar alle waarschijnlijkheid besloten geen belasting te heffen.
(2.3) De stelling van de inspecteur dat het zevende lid van artikel 91 RVBI Pro slechts geldt indien op verzoek van belanghebbende toestemming was verleend, is op zichzelf juist.
(2.4) Het argument van de inspecteur dat de onvrijwillige diefstal geen bijzondere omstandigheid in de zin van het zevende lid van artikel 91 RVBI Pro oplevert, omdat de auto niet teloor is gegaan, en - naar achteraf gebleken is - weer in het vrije verkeer terecht is gekomen, is niet juist.
(2.5) Nu het evenbedoelde actieve element ontbreekt, is er geen misbruik in de zin van artikel 123, tweede lid, van de Wet inzake de douane. Dit artikel is niet voor het geval van diefstal geschreven.
(2.6) Hij betwist dat belanghebbende in ernstige mate haar zorgplicht heeft veronachtzaamd. De uitkering van de verzekering wijst erop dat er geen verwijtbaarheid was. Er kan hoogstens van een geringe mate van verwijtbaarheid worden gesproken.
Door de inspecteur:
(3.1) Gelet op de feiten concludeert hij dat belanghebbende nalatig is geweest. Zij heeft geen goede zorg betracht.
(3.2) De verzekeraar wenst in dit soort gevallen de overdracht van de auto voor het geval deze weer boven water komt.
(3.3) De verzekeraar heeft belanghebbende uitbetaald naar de waarde in het economische verkeer van de auto inclusief belasting die belanghebbende niet had betaald. Het is redelijk dat die belasting vervolgens wordt geheven.
(3.4) De verzekeringsmaatschappij heeft de belastingdienst per fax op de hoogte gesteld van de betaling aan belanghebbende. Ook na een melding door belanghebbende zou derhalve belasting van haar zijn geheven.
(3.5) Om artikel 123, tweede lid, van de Wet inzake de douane in werking te doen treden is misbruik niet nodig. Dit artikel is van toepassing indien, zoals in dit geval, niet langer aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan;
Overwegende omtrent het geschil:
(4.1) De onder (1.3) bedoelde eigendomsoverdracht van de auto is aan te merken als een overdracht onder bezwarende titel bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de EEG-verordening 918/83. Daaraan doen belanghebbendes stellingen dat de diefstal niet als zodanige overdracht is te beschouwen en dat de overdracht aan de verzekeraar na de diefstal niet uit vrije wil is geschied, niet af. Belanghebbende heeft de bevoegde autoriteiten niet vooraf van de overdracht aan de verzekeraar in kennis gesteld, zodat het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende in strijd met gemeld voorschrift heeft gehandeld, juist is.
(4.2) Belanghebbende kan zich niet met vrucht op artikel 91, zevende lid, van de Regeling vrijstellingen belastingen bij invoer beroepen, omdat de toepassing van de hardheidsclausule niet ter beoordeling van de belastingrechter staat; bovendien heeft belanghebbende niet het in het voorschrift bedoelde verzoek gedaan en ontbreken in dit geval waarin aan belanghebbende de marktwaarde inclusief belasting is vergoed en de auto in het vrije verkeer is terechtgekomen, de in het voorschrift bedoelde bijzondere omstandigheden.
(4.3) De inspecteur neemt terecht het standpunt in dat belanghebbende de belastingen op grond van het niet-naleven van de aan de vrijstelling verbonden voorwaarden, verschuldigd is geworden.
(4.4) Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken;
Recht doende:
Bevestigt de uitspraak waarvan beroep.
Aldus gedaan op 16 februari 1995 te Arnhem door mr. Smit, vice-president, lid van de eerste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Egberts als griffier.
(J.L.M. Egberts) (D.C. Smit)
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 16 februari 1995.
[Zie ook arrest HR nummer 31069 (red.)]