ECLI:NL:GHARN:1998:3
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Kok
- Kerssemakers
- Heisterkamp
- Jansens van Gellicum
- Hamelink
- Rechtspraak.nl
Mogelijkheid tot schriftelijke vastlegging mondelinge pachtovereenkomst vervalt niet door tijdsverloop
In deze zaak stond de vraag centraal of appellant, die sinds 1974 een hoeve en landbouwgrond in gebruik heeft, gerechtigd was tot schriftelijke vastlegging van een mondelinge pachtovereenkomst, ondanks het verstrijken van ruim 19 jaar sinds het aangaan van de overeenkomst.
Het hof overwoog dat het enkel tijdsverloop de mogelijkheid tot het instellen van een dergelijke vordering niet uitsluit. Appellant gebruikte de hoeve en grond voor landbouwkundige doeleinden en betaalde daarvoor een geldelijke vergoeding. De tegenpartij voerde onder meer aan dat het gebruik slechts een huurovereenkomst betrof en dat de grond mogelijk om niet werd gegeven.
Het hof verwierp deze stellingen en oordeelde dat het gebruik met een economisch oogmerk geschiedde, passend binnen de definitie van pacht. De bewijslast voor het tegendeel lag bij de geïntimeerden, die bovendien onvoldoende bewijs leverden. De vordering van appellant werd toegewezen voor het gebouwencomplex, en de zaak werd verwezen voor nadere bewijslevering omtrent de grond en onderhoudsverplichtingen.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot schriftelijke vastlegging van de pachtovereenkomst toe voor het gebouwencomplex en verwijst de zaak voor nadere bewijslevering over de grond en onderhoudsverplichtingen.