ECLI:NL:GHARN:1998:AA1119
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- N.E. Haas
- Matthijssen
- Lamens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gemeenschappelijke huishouding voor successierechten na overlijden erflaatster
Belanghebbende voerde gedurende 25 jaar een nauwe relatie met erflaatster, waarbij zij veel tijd samen doorbrachten en gezamenlijke huishoudelijke kosten deelden. Ondanks deze nauwe band woonden zij niet op hetzelfde adres; belanghebbende had een eigen woning die tevens als atelier diende.
De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 24 lid 2 onderdeel Pro b van de Successiewet 1956, wat recht zou geven op een vrijstelling van successierecht. Het hof overwoog dat het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf normaal gesproken uitsluit dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, tenzij objectieve omstandigheden dat rechtvaardigen.
Het hof concludeerde dat het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf in deze zaak vooral voortkwam uit de wens van partijen om zelfstandigheid te behouden. Belanghebbende bracht slechts de helft van de nachten door in de woning van erflaatster en beschikte over een eigen volwaardige woning. Daarom werd de vrijstelling niet toegekend en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat belanghebbende geen gemeenschappelijke huishouding voerde en handhaaft de aanslag successierecht.