ECLI:NL:GHARN:1998:AA1294
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J. Lamens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op gezamenlijke huishouding voor belastingjaar 1995
Belanghebbende stelde dat hij en zijn partner gedurende het gehele jaar 1994 en meer dan zes maanden in 1995 een duurzame gezamenlijke huishouding hadden gevoerd zoals bedoeld in artikel 56, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hij voerde aan dat zij vijf dagen per week bij elkaar verbleven, dat hij het grootste deel van de woonlasten van zijn partner betaalde en dat hij om economische redenen verhuisde.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van een gezamenlijk woonadres gedurende de relevante periode en het feit dat belanghebbende ook de kosten van de huishouding van zijn partner apart droeg, het bestaan van een duurzame gezamenlijke huishouding uitsluit. De notariële verklaring en de overige argumenten konden dit oordeel niet veranderen.
Het hof benadrukte dat het niet bevoegd is om de billijkheid van de wettelijke regeling te beoordelen. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de inspecteur werd bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat belanghebbende en zijn partner geen duurzame gezamenlijke huishouding voerden, waardoor de belastingcorrecties terecht zijn.