ECLI:NL:GHARN:1998:AA1328
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.M. van Schie
- mr Röben
- mr Lamens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gelijkheidsbeginsel bij waardering vakantiegeld in inkomstenbelasting 1995
Belanghebbende was in 1995 in dienstbetrekking en ontving een loon inclusief vakantiegeld van ƒ 147.223,--. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op, waarbij het vakantiegeld volledig werd belast. Belanghebbende voerde beroep aan tegen deze aanslag en stelde dat het vakantiegeld slechts voor 75% in de heffing betrokken diende te worden, gelijk aan de waardering van vakantiebonnen en daarmee overeenkomende aanspraken.
Het Hof oordeelde dat de aanspraken van belanghebbende op vakantietoeslag en vakantieloon geen aanspraken zijn zoals bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964, omdat deze rechten niet leiden tot toekomstige uitkeringen maar direct bij betaling worden genoten. De vergelijking met vakantiebonnen en soortgelijke aanspraken is daarom niet van toepassing.
Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen, omdat de gevallen niet als feitelijk en rechtens gelijk kunnen worden aangemerkt. Ook het betoog dat het verschil in waardering onevenredig en disproportioneel zou zijn, werd verworpen wegens het ontbreken van een concreet en overduidelijk financieel nadeel voor belanghebbende.
Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur en wees het beroep af. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 1995 wordt afgewezen en de aanslag wordt bevestigd.