ECLI:NL:GHARN:1999:AA1373
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.C.M. de Kroon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid alimentatiebetalingen bij duurzame scheiding in 1994
Belanghebbende stelde dat hij vanaf 3 mei 1994 duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote en vorderde aftrek van alimentatiebetalingen over 1994. De Inspecteur erkende echter pas vanaf september 1994 een dergelijke situatie. De echtgenote bleef het gehele jaar in de echtelijke woning wonen en er waren geen voorlopige voorzieningen getroffen in het kader van de voorgenomen scheiding.
De rechtbank had in 1996 het huwelijk ontbonden en een alimentatiebedrag vastgesteld, rekening houdend met het besteedbare inkomen van belanghebbende. De Inspecteur had aanvankelijk een bedrag van ƒ 3.000 als aftrekpost geaccepteerd, later verhoogd tot ƒ 22.504, maar niet het volledige door belanghebbende opgevoerde bedrag van ƒ 32.490.
Het hof oordeelde dat niet alle betalingen aan een echtgenoot van wie men duurzaam gescheiden leeft automatisch aftrekbaar zijn. Gezien de feitelijke situatie in 1994, waarin de echtgenote in de woning bleef en geen voorlopige voorzieningen waren getroffen, achtte het hof het onaannemelijk dat de rechter een hoger alimentatiebedrag dan ƒ 1.200 per maand zou hebben vastgesteld. Hierdoor werd het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
De uitspraak benadrukt dat alleen betalingen die gegrond zijn op wettelijke of rechtens afdwingbare verplichtingen en binnen redelijkheid en billijkheid blijven, als aftrekbare persoonlijke verplichtingen kunnen worden beschouwd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van de volledige alimentatieaftrek over 1994 is ongegrond verklaard.