ECLI:NL:GHARN:1999:AA1433
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.M. van Schie
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanslag recht van successie na overlijden zonder gemeenschappelijke huishouding
Belanghebbende erfde netto ƒ 51.108,61 van wijlen A, met wie hij sinds 1974 een relatie had. De inspecteur legde een aanslag recht van successie op van ƒ 21.432,–, gebaseerd op tariefgroep III. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende aanspraak kon maken op de vrijstelling voor partners die een gemeenschappelijke huishouding voeren volgens artikel 32 van Pro de Successiewet 1956.
Belanghebbende voerde aan dat hij sinds 1974 een relatie had en samenwoonde met de erflaatster, maar erkende dat hij vanaf eind 1982 een eigen atelier/flat had en dus niet onafgebroken een gemeenschappelijke huishouding voerde. Dit werd bevestigd door de aangifte waarop werd ontkend dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding.
Het hof oordeelde dat de omstandigheden, zoals gezamenlijke testamenten, gezamenlijke bankrekening en gezamenlijke vakanties, onvoldoende waren om te spreken van een gemeenschappelijke huishouding in de zin van de wet. Ook financiële verbondenheid en zorg voor elkaar rechtvaardigen geen vrijstelling. De wetgever discrimineert belanghebbende niet onrechtmatig door hem niet als partner in tariefgroep I te beschouwen.
De hardheidsclausule kon niet door de rechter worden toegepast. Het hof bevestigde daarom de aanslag en wees een kostenveroordeling af.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de aanslag successierecht omdat geen gemeenschappelijke huishouding bestond.