ECLI:NL:GHARN:1999:AA1447

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
28 januari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/18
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.E. Haas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering aftrek buitengewone autokosten wegens invaliditeit

Belanghebbende, een militair oorlogsinvalide geboren in 1927, gebruikte een tweedehands auto met automatische transmissie vanwege zijn invaliditeit. Hij reed in het betreffende jaar 25.490 kilometer, waarvan een deel voor privédoeleinden en beroepsuitoefening. Belanghebbende vroeg aftrek van buitengewone lasten voor autokosten, maar de inspecteur weigerde dit omdat geen extra autokosten door invaliditeit konden worden vastgesteld.

Het geschil betrof met name de hoogte van de afschrijving en de vraag of extra slijtagekosten in aanmerking genomen konden worden. Het hof stelde vast dat het gebruik van een automaat noodzakelijk was vanwege de invaliditeit, maar dat dit op zich niet leidde tot aftrek van extra kosten als buitengewone last. De autokosten van belanghebbende kwamen ongeveer overeen met het gemiddelde van niet-invalide belastingplichtigen met vergelijkbare financiële omstandigheden.

De inspecteur gebruikte CBS-gegevens om aan te tonen dat de gemiddelde vervoerskosten van vergelijkbare belastingplichtigen ongeveer gelijk waren aan de autokosten van belanghebbende. Ook een hogere afschrijving veranderde deze conclusie niet. Het hof oordeelde daarom dat het beroep van belanghebbende ongegrond was en bevestigde de uitspraak van de inspecteur.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de weigering van aftrek van autokosten als buitengewone last wegens invaliditeit.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
derde enkelvoudige belastingkamer
nr. 98/18
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : *X
te : *Z
ambtenaar : de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren *P
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar d.d. 11 november 1997
soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 1995
mondelinge behandeling : op 14 januari 1999 te Arnhem door mr N.E. Haas, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier
waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede de inspecteur
gronden:
1. Belanghebbende, die is geboren in 1927, is militair oorlogsinvalide. Hij is voor zijn vervoer aangewezen op het gebruik van een auto. Tot en met 1990 ontving hij van het ministerie van defensie een vergoeding voor noodzakelijke verplaatsingskosten op basis van 15.000 kilometers per jaar.
2. Belanghebbende berijdt een voor circa ƒ 23.000,– in oktober 1994 tweedehands aangeschafte *a-auto automaat, bouwjaar 1992, catalogusprijs ƒ 32.315,–. Hij heeft gedurende het onderhavige jaar met deze auto 25.490 kilometers gereden, waarvan circa 4.500 voor regelmatige ritten naar zijn tweede huis in Frankrijk en circa 2.000 in het kader van zijn vroegere * beroepsuitoefening.
3. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 117.735,– en een vermogen van ƒ 754.250,–. In zijn voormelde aangifte voor de inkomstenbelasting verzocht belanghebbende een aftrek ter zake van buitengewone lasten van ƒ 6.477,–, als volgt berekend:
diverse uitgaven, niet in geschil ƒ 9.292,–
autokosten in verband met invaliditeit zoals in het
verleden 15.000 kilometer voor particulier gebruik
in automaat : 15.000 ? ƒ 0,59 ƒ 8.850,–
ƒ 18.142,–
franchise ƒ 11.665,–
ƒ 6.477,–.
4. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat bij belanghebbende, gelet op diens financiële omstandigheden, geen extra autokosten als gevolg van invaliditeit zijn te onderkennen en heeft deswege geen aftrek verleend.
5. Belanghebbende berekent in zijn pleitnotities de aftrekbare autokosten in afwijking van zijn aangifte, op een bedrag van ƒ 6.915,–. De inspecteur berekent belanghebbendes totale autokosten voor het onderhavige jaar op ƒ 9.703,–.
6. Het houden en gebruik van een auto in een prijsklasse als de onderhavige is voor iemand die niet invalide is, maar overigens in vergelijkbare financiële en gezinsomstandigheden verkeert als belanghebbende, volstrekt normaal. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de door de inspecteur niet in aftrek toegelaten vervoerskosten, kosten betreft die gemaakt zijn voor het verkrijgen van geneeskundige hulp.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende gedurende het onderhavige jaar 25.490 kilometers met zijn auto heeft gereden. Voor wat betreft het bedrag van de feitelijke autokosten verschillen partijen uitsluitend over de aan dit jaar toe te rekenen afschrijving (ƒ 2.500,– volgens de inspecteur en ƒ 4.800,– volgens belanghebbende) alsmede over de vraag of belanghebbende terecht extra slijtage aan banden in aanmerking neemt en wel tot een bedrag van ƒ 200,–.
8. De onderhavige auto is door de fabrikant als standaarduitvoering met automaat geleverd. Voor een afzonderlijke afschrijving op de kostprijs van de automatische transmissie is dan ook geen plaats.
De inspecteur heeft voorts – in het bijzonder in zijn conclusie van dupliek – aannemelijk gemaakt dat voor het onderhavige jaar bij de bepaling van de totale autokosten over dit jaar, een afschrijving van ƒ 2.500,– gehanteerd kan worden.
Er is geen noodzaak om een eventuele – door belanghebbende gestelde – snellere slijtage van banden door middel van een speciale afschrijving in de berekening van de kilometerkostprijs te betrekken.
9. Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende door de aard van zijn invaliditeit een auto met automatische transmissie moet gebruiken en voorts dat hij ook de auto zal gebruiken in die gevallen dat een niet-invalide, maar overigens in vergelijkbare omstandigheden verkerende belastingplichtige per fiets of openbaar vervoer zou reizen.
10. Dit leidt op zichzelf evenwel nog niet tot het als buitengewone last in aanmerking nemen van autokosten. Daartoe is nodig dat het totaal van belanghebbendes autokosten uitgaat boven het bedrag dat niet-invalide belastingplichtigen die overigens in vergelijkbare financiële en gezinsomstandigheden verkeren, plegen uit te geven.
11. De inspecteur heeft aan de hand van CBS gegevens over 1995 aannemelijk gemaakt, dat de groep van 25% der belastingplichtigen met een besteedbaar inkomen van ƒ 60.136,– of meer – tot welke groep belanghebbende kan worden gerekend – aan vervoerskosten in dat jaar gemiddeld ƒ 9.999,– (ƒ 11.175 -/- ƒ 1.176) heeft uitgegeven. Belanghebbendes autokosten over het onderhavige jaar belopen, zoals uit het hiervoor onder 5 vermelde volgt, een ongeveer gelijk bedrag. Bedacht moet voorts worden, zoals de inspecteur terecht opmerkt, dat voormeld bedrag van ƒ 9.999,– een gemiddelde is en dat verwacht mag worden dat belastingplichtigen met een inkomen en vermogen als dat van belanghebbende terzake meer dan dat gemiddelde hebben uitgegeven.
12. Voormelde conclusie wordt dan ook niet anders wanneer het bedrag van de aan het onderhavige jaar tot te rekenen afschrijving, hoger zou moeten worden berekend, bijvoorbeeld op ƒ 3.500,–.
13. Het vorenstaande voert tot de conclusie dat belanghebbendes beroep niet gegrond is.
proceskosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 1999 door mr N.E. Haas, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier,Het lid van de voormelde kamer,
(J.L.M. Egberts)(N.E. Haas)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 februari 1999