ECLI:NL:GHARN:1999:AE9594

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
8 april 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/171
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van der Wel
  • Houtman
  • Smeeïng-Van Hees
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende boekhouding en niet te goeder trouw zijn

Appellant X. is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Zutphen van 11 maart 1999, waarin het faillissement van X. werd opgeheven en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Het hof heeft het beroepschrift ontvangen en de zaak mondeling behandeld op 1 april 1999, waarbij partijen verschenen.

Uit de curatorverslagen blijkt dat X., actief in onroerend goed, jarenlang geen deugdelijke boekhouding heeft gevoerd. Hierdoor had hij onvoldoende inzicht in zijn financiële positie. Desondanks heeft hij nieuwe, aanzienlijke schulden aangegaan en onbetaald gelaten. Dit leidt tot de conclusie dat X. niet te goeder trouw was met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van deze schulden.

Het hof oordeelt dat het verzoek tot schuldsaneringsregeling daarom niet toewijsbaar is. Het hoger beroep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd. Het arrest is uitgesproken op 8 april 1999 door het hof Arnhem.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende boekhouding en het niet te goeder trouw zijn van appellant.

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem
Eerste civiele kamer
Arrest
in de zaak van:
X
wonende te P.,
appellant,
procureur: mr P.A.C. de Vries.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 11 maart 1999, die in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2. Het geding in hoger beroep
2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 maart 1999, is appellant (hierna te noemen: X.) in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 11 maart 1999, waarbij op voordracht van de rechter-commissaris het faillissement van X. is opgeheven en het verzoek van X. om gelijktijdig de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, is afgewezen.
2.2 Bij voormeld beroepschrift heeft X. het hof verzocht de beschikking van 11 maart 1999 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hem, onder bevel tot opheffing van zijn faillissement, gelijktijdig toe te laten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een aantal brieven van de curator, mr W.J.J. Ribbers, aan de rechter-commissaris.
2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 1999, waarbij X. is verschenen, bijgestaan door mr Th.R.M. Welling, advocaat te Doetinchem. Namens de curator is mr H.W. Groenveld, advocaat te Groenlo, verschenen.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
3.2 Het hoger beroep van X. is, blijkens de toelichting, niet gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken opheffing van het faillissement.
3.3 Uit de verslagen van de curator blijkt dat X., die handelde dan wel bemiddelde in onroerende zaken, gedurende jaren geen deugdelijke boekhouding heeft gevoerd. Nu X. aldus onvoldoende inzicht moet hebben gehad in zijn vermogenspositie en desondanks nieuwe, ook aanzienlijke, schulden is aangegaan en onbetaald heeft gelaten, is aannemelijk dat X. ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schulden niet te goeder trouw is geweest.
3.4 Het hof acht het verzoek tot toepassing van een schuldsaneringsregeling dan ook niet toewijsbaar. Het hoger beroep treft geen doel. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 11 maart 1999.
Dit arrest is gewezen door mrs Van der Wel, Houtman en Smeeïng-Van Hees, bij ontstentenis van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 1999.