ECLI:NL:GHARN:1999:AE9725
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van der Weij
- Smeeïng-Van Hees
- Groen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing definitieve schuldsaneringsregeling wegens betrokkenheid bij oprichting B.V. tijdens voorlopige regeling
Tijdens de voorlopige schuldsaneringsregeling was verzoeker betrokken bij de oprichting van een besloten vennootschap (B.V.) op naam van zijn studerende dochters, waarvan hij tevens directeur werd. Verzoeker stelde dat hij alleen handelde namens zijn dochters en dat zijn vermogen niet was veranderd, maar de bewindvoerder betwijfelde deze verklaring en stelde dat verzoeker niet tijdig had geïnformeerd over zijn activiteiten.
Verzoeker had ook een auto op naam van een dochter overgeschreven en bedrijfsmiddelen verhuisd zonder de bewindvoerder hiervan op de hoogte te stellen. Het hof oordeelde dat het zonder medeweten van de bewindvoerder verrichten van deze activiteiten een gegronde vrees schept dat verzoeker zijn schuldeisers zal benadelen of zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet zal nakomen.
Daarom werd het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen en werden de vonnissen van de rechtbank Almelo bekrachtigd. Het hof nam daarbij mee dat de dochters studerend zijn en dat verzoeker inkomsten kan verwerven uit de onderneming van de B.V., wat de vrees voor benadeling versterkt.
Uitkomst: Verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens betrokkenheid bij oprichting B.V. en niet naleven van verplichtingen.