ECLI:NL:GHARN:2000:AA5467

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
1 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/4219
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.E. Haas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22, eerste lid, onderdeel b Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens voordeel uit piramidespel

Belanghebbende nam in 1996 deel aan een piramidespel georganiseerd door twee entiteiten, waarbij hij een inleg van ¦ 5.000,- betaalde en door het werven van nieuwe deelnemers een positief voordeel van ¦ 28.000,- behaalde. Hij fungeerde als groot-aanbrenger en ontving betalingen rechtstreeks van de organisator.

De Inspecteur stelde een navorderingsaanslag op basis van het behaalde voordeel als inkomen uit arbeid volgens artikel 22, eerste lid, onderdeel b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende voerde aan dat een deel van het voordeel onbelast zou moeten blijven vanwege een vermeende beleidspraktijk van de Belastingdienst waarbij voordelen onder ¦ 10.000,- niet werden nageheven.

Het hof oordeelde dat het behaalde voordeel voortvloeit uit economische activiteiten gericht op het behalen van voordeel en dat de Inspecteur het voordeel terecht als inkomen uit arbeid heeft aangemerkt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen bewijs werd geleverd dat er sprake was van ongelijke behandeling. De navorderingsaanslag werd bevestigd en er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag en wijst het beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

nw
Gerechtshof Arnhem
derde enkelvoudige belastingkamer
nr. 98/4219
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : *X
te : *Z
ambtenaar : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren *P
aangevallen beslissing : uitspraak d.d. 16 november 1998 op bezwaar tegen navorderingsaanslag, aanslagnr. *H67
soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 1996
mondelinge behandeling : op 5 januari 2000 te Arnhem door mr N.E. Haas, raadsheer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier
waarbij verschenen : de gemachtigde van belanghebbende, de Inspecteur
gronden:
1. Tussen partijen is niet in geschil, dat belanghebbende in 1996 als deelnemer aan het zogeheten "piramidespel" een rechtstreeks voordeel daaruit heeft genoten van ¦ 28.000,-. Het spel, waaraan deelname voor een ieder die dat wenste mogelijk was, werd aanvankelijk georganiseerd door *A Inc., vanaf augustus 1996 *B BV.
2. Belanghebbende heeft een aantal personen als deelnemers aangebracht en hen gestimuleerd om ook weer nieuwe deelnemers te werven. Belanghebbende deed dit door met potentiële deelnemers bijeenkomsten van *A Inc. c.q. *B BV te bezoeken. Nieuwe deelnemers dienden vervolgens op hun beurt weer nieuwe deelnemers aan te brengen. Belanghebbende die betalingen heeft ontvangen ter zake van 13 direct en indirect nieuw aangebrachte deelnemers is hoofdzakelijk als zogenaamd groot-aanbrenger in het piramidespel actief geweest.
3. Aangenomen mag worden dat belanghebbende zich heeft aangemeld als deelnemer aan het voornoemde piramidespel en daartoe het verplichte en niet voor restitutie in aanmerking komende inleggeld van ¦ 5.000,- heeft betaald met geen ander doel dan - door het werven van voldoende nieuwe deelnemers - positief geldelijk voordeel te behalen. De gemachtigde heeft dat ter zitting ook erkend. Belanghebbende heeft ook daadwerkelijk een positief resultaat uit zijn deelname aan het spel weten te behalen. De uitbetalingen aan hem geschiedden rechtstreeks door *A Inc. c.q. *B BV.
4. Het door belanghebbende behaalde positieve resultaat vloeide rechtstreeks voort uit zijn aktiviteiten die bestonden uit het werven van nieuwe deelnemers. Het is hierbij niet van belang dat de omvang van het voordeel mede afhing van de mate waarin de door hem geworven deelnemers er in zijn geslaagd zelf nieuwe deelnemers aan te trekken. Naar het oordeel van het Hof staat daarmee vast, dat sprake is geweest van werkzaamheden door belanghebbende in het economische verkeer, gericht op het behalen van voordeel.
5. Het voorgaande brengt het Hof tot het oordeel, dat de Inspecteur het door belanghebbende rechtstreeks uit de deelname aan het spel behaalde (netto) voordeel terecht als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking heeft genomen.
6. Belanghebbende heeft nog gesteld, dat van de totale opbrengst uit deelname aan het spel een gedeelte van ¦ 10.000,- onbelast dient te blijven, omdat volgens mondelinge informatie van de Belastingdienst/Particulieren *Q aan deelnemers wier netto voordeel (opbrengst minus inleggeld) door deelname aan het spel minder dan ¦ 10.000,- heeft bedragen geen navorderingsaanslagen worden opgelegd. Het gelijkheidsbeginsel brengt, aldus belanghebbende, daarom mee dat voor hem eveneens een vrijgestelde voet van ¦ 10.000,- heeft te gelden.
7. Het hof is van oordeel, dat dit beroep van belanghebbende al daarom niet kan opgaan, omdat hij met deze enkele stelling niet aannemelijk heeft gemaakt in hoeverre de verkregen informatie juist en voor deze Inspecteur van betekenis is. Afgezien daarvan heeft de Inspecteur met hetgeen hij in het vertoogschrift dienaangaande heeft gesteld en in aanvulling daarop ter zitting nog heeft verklaard aannemelijk gemaakt, dat van een bewust ongelijke behandeling van piramidespeldeelnemers geen sprake is en dat - in tegendeel - bij een ieder die bij deelname aan het piramidespel positief voordeel heeft behaald, dit voordeel - ongeacht de omvang ervan - in de heffing van inkomstenbelasting wordt betrokken, hetzij doordat een belastingplichtige dit voordeel aan de fiscus meldt danwel doordat laatstgenoemde langs andere weg van dit voordeel op de hoogte geraakt. Uit de omstandigheid dat slechts - op praktische gronden - renseignering door de FIOD van positieve opbrengsten van tenminste ¦ 10.000,- heeft plaatsgevonden, kan niet worden afgeleid dat de belastingdienst positieve opbrengsten tot ¦ 10.000,- feitelijk buiten belastingheffing heeft willen laten.
8. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.
proceskosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 19 januari 2000 door mr N.E. Haas, vice-president, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(N.Th. Wagener) (N.E. Haas)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 februari 2000
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ¦ 150,-.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.