ECLI:NL:GHARN:2000:AB0177
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Makkink
- P.H. van Ginkel
- Wesseling-Lubberink
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid verhuurder voor val op gladde bielzen trap in wooncomplex
De zaak betreft een hoger beroep van Woningstichting De Goede Woning tegen een vonnis waarin zij aansprakelijk werd gehouden voor de schade van een huurder die ten val kwam op een buitentrap met gladde houten bielzen. De huurder baseerde haar vordering primair op artikel 6:174 BW Pro (aansprakelijkheid voor gebrekkige opstal), subsidiair op artikel 6:162 BW Pro (onrechtmatige daad) en meer subsidiair op artikel 7A:1586 BW.
De rechtbank had vastgesteld dat de trap een gebrek vertoonde omdat deze bij vochtig weer glad was en dat dit gevaar opleverde voor gebruikers. Het hof bevestigde dit oordeel, mede gelet op onbestreden klachten van bewoners over gladheid sinds 1992 en eerdere valpartijen. De verhuurder voerde verweer dat de val ook door andere oorzaken kon zijn veroorzaakt, zoals bladeren of glad schoeisel, en betwistte dat de val op de bielzen trap had plaatsgevonden.
Het hof oordeelde dat het in principe aan de huurder is om de toedracht te bewijzen, maar dat gelet op de aard van de zaak en het feit dat de trap een opstal is, het vermoeden gerechtvaardigd is dat de val op de bielzen trap plaatsvond, tenzij de verhuurder tegenbewijs levert. Daarom staat het hof toe dat de verhuurder dit tegenbewijs levert, onder meer door getuigenverhoren, waarna verdere beslissing zal volgen.
De grieven van de verhuurder over het oordeel dat de trap een gebrek vertoonde en gevaar opleverde, faalden. Ook het verweer dat een vordering uit onrechtmatige daad niet naast de contractuele wanprestatie kan bestaan, werd verworpen. De procedure wordt aangehouden voor het leveren van tegenbewijs door de verhuurder.
Uitkomst: Het hof bevestigt aansprakelijkheid van de verhuurder voor de val op de gladde trap maar staat toe dat tegenbewijs wordt geleverd over de toedracht.