ECLI:NL:GHARN:2000:AE9740

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
20 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1999/736
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Raalte
  • Smeeïng-Van Hees
  • Groen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw bij schulden door heroïneverslaving

In deze civiele zaak zijn X. en Y., echtgenoten, in hoger beroep gekomen tegen de vonnissen van de rechtbank Almelo van 22 december 1999, waarin hun verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werden afgewezen.

De schulden zijn grotendeels ontstaan of onbetaald gelaten als gevolg van de heroïneverslaving van X., die een terugval had in 1997. Y. was hiervan op de hoogte maar heeft desondanks ook huishoudelijke schulden laten ontstaan en onbetaald gelaten. X. en Y. betwisten dat zij niet te goeder trouw zijn geweest en wijzen op hun moeilijke persoonlijke omstandigheden en de vooruitzichten van hun zoon.

Het hof oordeelt dat X. niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden en dat dit ook geldt voor Y., gezien haar wetenschap van de verslaving en het mede ontstaan van schulden. Daarom worden de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd en worden de verzoeken tot schuldsanering afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsanering af wegens niet te goeder trouw.

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem
Arrest
In de zaak van:
1. X.
2. Y.
echtelieden, beiden wonende te P.
appellanten,
procureur: mr W. J. E. Hendriks.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de vonnissen van de rechtbank te Almelo van 22 december 1999, die in fotokopie aan dit arrest zijn gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 december 1999, en een herstelberoepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 januari 2000, zijn appellanten (hierna te noemen X. en Y.) in hoger beroep gekomen van voormelde vonnissen, waarbij hun verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn afgewezen.
2.2 Bij voormeld beroepschrift hebben zij het hof verzocht te bepalen dat de schuldsaneringsregeling alsnog op hen van toepassing wordt verklaard.
2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.
2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 januari 2000, waarbij X. is verschenen in persoon, bijgestaan door mr M. Smit, advocaat te Almelo. Namens Y. is voornoemde mr M. Smit verschenen.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het beroep is tijdig ingesteld.
3.2 X. en Y. ontkennen in hoger beroep dat zij, afgezien van de opgelegde boetes en de ontnemingsvordering, waartegen nog cassatie- beroep loopt, ten aanzien van het ontstaan van de schulden niet te goeder trouw zijn geweest. Zij voeren aan dat een groot aantal schulden dateert uit een periode in 1997 waarin X. , die in het verleden ongeveer 12 jaar verslaafd is geweest aan heroïne, een terugval had in zijn heroïneverslaving en dat zij een heel moeilijke periode achter de rug hebben doordat onder meer hun zoon, momenteel 17 jaar oud, moeilijk te handhaven bleek. Zij stellen dat hun zoon thans uitzicht heeft op een vaste aanstelling, een eigen inkomen geniet en een aflossingsregeling voor zijn boetes met de deurwaarder heeft getroffen. Daarnaast dient Y. hun inziens niet de dupe te worden van de door X. in zijn verleden gemaakte fouten. X. en Y. hopen de kans te krijgen om onder begeleiding van een goede bewindvoerder serieus te kunnen werken aan een financieel gezonde toekomst.
3.3 Het hof is van oordeel dat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd. Het hof overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken en uit het behandelde ter zitting blijkt dat de meeste schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten ten gevolge van de heroïneverslaving van X. Daarom moet aangenomen worden dat X. ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden niet te goeder trouw is geweest. Ditzelfde geldt voor Y. Vast staat dat zij wetenschap had van diens versla- ving. Desondanks heeft zij eveneens - ook huishoudelijke - schulden laten ontstaan en onbetaald gelaten. Dat een groot deel van de schulden is te herleiden tot het handelen/nalaten van X. doet daaraan niet af. Het hof zal derhalve de vonnissen van de rechtbank te Almelo van 22 december 1999 bekrachtigen. Dat leidt ertoe dat de verzoeken van X., en Y., om alsnog te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling niet toewijsbaar zijn.
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank te Almelo van 22 december 1999.
Dit arrest is gewezen door mrs Van Raalte, Smeeïng-Van Hees en Groen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2000.