ECLI:NL:GHARN:2000:AF0520

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
24 augustus 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2000/423
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 313 FaillissementswetArt. 63 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens fraudeschulden en onverzekerd rijden met dodelijk ongeval

X. en Y., gehuwd in gemeenschap van goederen, zijn in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem dat hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afwees. De rechtbank had het verzoek van X. afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van schulden, waaronder meerdere fraudeschulden en een aanzienlijke schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer door onverzekerd rijden met dodelijk ongeval. Het verzoek van Y. werd afgewezen vanwege haar huwelijk in gemeenschap van goederen met X.

In hoger beroep betoogden appellanten dat sommige fraudeschulden ouder dan vijf jaar waren en dat zij een deel van de schulden hadden afbetaald. Ook stelde X. dat hij niet op de hoogte was van schulden uit 1997 en 1998 en dat noch hij noch zijn echtgenote waren gehoord door het Bijzonder Onderzoek. Het hof oordeelde echter dat X. niet te goeder trouw was, gelet op herhaalde bijstandsfraude en het ontbreken van aannemelijke onderbouwing voor zijn stellingen.

De schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer van ruim 287.000 gulden was ontstaan door onverzekerd rijden met dodelijk ongeval waarvoor X. veroordeeld was en zijn straf had uitgezeten. Dit deed niet af aan het verwijtbare karakter van de schuld. Gezien deze omstandigheden wees het hof het verzoek van X. en daarmee ook dat van Y. af, en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat de schuldsaneringsregeling niet op appellanten van toepassing verklaart.

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem
eerste civiele kamer
Arrest
in de zaak van:
X.
en
Y.
beiden wonende te P.,
echtelieden,
appellanten,
procureur: mr. L. van Etten.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 31 juli 2000, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij het ter griffie van het hof per fax op 7 augustus 2000 en op 8 augustus 2000 per gewone post ingekomen beroepschrift zijn appellanten ( hierna te noemen X. en Y.) in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis, waarbij hun verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn afgewezen.
2.2 Bij voormeld beroepschrift hebben zij het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling alsnog op hen van toepassing te verklaren.
2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, toegezonden door de procureur bij brieven van 10 en 15 augustus 2000.
2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2000, waarbij X. en Y. zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun procureur.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het beroep is tijdig ingesteld.
3.2 De rechtbank heeft het verzoek van X. om de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren afgewezen op de grond dat hij ten aanzien van het ontstaan van enige schulden niet te goeder trouw is geweest. Het verzoek van Y. is afgewezen omdat zij in gemeenschap van goederen met X. is gehuwd en gelet op de artikelen 313 en 63 Faillissementswet deze omstandigheid met zich brengt dat afwijzing van het verzoek van X. tot gevolg heeft dat het verzoek van Y. eveneens afgewezen moet worden.
3.3 X. en Y. hebben in hun beroepschrift het volgende aangevoerd. De in het bestreden vonnis onder punt 1a genoemde fraudeschulden zijn ouder dan vijf jaar, waarbij een fraudeschuld van f 25.000,- door middel van aflossingen is verminderd tot het vermelde bedrag van f. 18.252,89. De in het vonnis in onder 1b genoemde schulden waren hen niet eerder bekend en zij betwisten dat dit fraudeschulden zijn. De schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer betreft een door X. wegens onverzekerd rijden veroorzaakte schade op 2 januari 1996. De gevangenisstraf waartoe hij dientengevolge is veroordeeld, heeft hij inmiddels ondergaan en thans heeft hij zijn leven weer op de rails staan. Zij hebben een gedeelte van de (fraude)schuld aan de sociale dienst afbetaald, doch door het - sinds 1991 - aangewezen zijn op een bijstandsuitkering hebben zij hun schulden niet verder kunnen aflossen en worden zij door deze schuldenlast zwaar getroffen.
3.4 Het hof is van oordeel dat het verzoek van X. en Y. om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende. Ten aanzien van de fraudeschulden is uit de stukken en het behandelde ter zitting gebleken dat het hier herhaalde gevallen van bijstandsfraude betreft. Hoewel appellanten terecht hebben aangevoerd dat een aantal van deze schulden korter dan vijf jaar geleden is ontstaan, is ook het aantal van dergelijke schulden korter dan vijf jaar geleden ontstaan. X. is ten aanzien van het ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw geweest. X. heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niets van de in 1997 en 1998 ontstane schulden weet en dat hij noch zijn echtgenote is gehoord door de Afdeling Bijzonder Onderzoek. Deze stelling is onvoldoende aannemelijk geworden, nu deze niet nader onderbouwd is en daaruit niet volgt dat die schulden niet zouden bestaan. Uit de processtukken blijkt dat de schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer f 287.957,51 bedraagt. Deze aanzienlijke schuld is ontstaan doordat K in een onverzekerde auto heeft gereden en daarbij een ongeval met dodelijke afloop heeft veroorzaakt. Dat hij wegens beide feiten veroordeeld is en zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten, doet niet af aan het verwijtbare karakter van het ontstaan van deze schuld. Aannemelijk is dat X. te aanzien van het ontstaan van al deze schulden niet te goeder trouw is geweest.
3.5 Met betrekking tot het verzoek van Y. geldt dat haar verzoek eveneens dient te worden afgewezen, omdat zij, naar de rechtbank heeft overwogen en waartegen in de onderhavige procedure geen grief is aangevoerd, in gemeenschap van goederen met X. is gehuwd. Ingevolge artikel 313 Faillissementswet Pro is artikel 63 Faillissementswet Pro van overeenkomstige toepassing. Dit brengt mee dat de afwijzing van het verzoek van X. tevens tot gevolg heeft dat ook het verzoek van Y. moet worden afgewezen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
De beslissing
Het hof rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigd het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 31 juli 2000.