ECLI:NL:GHARN:2001:AB0562

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
12 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
21-000868-98
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Kerssemakers
  • A. van den Heuvel
  • P. Buruma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in strafvervolging wegens schending van de redelijke termijn

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem op 12 maart 2001 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de economische politierechter in Zwolle. De verdachte, geboren in 1943, was beschuldigd van het niet emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen op 12 februari en 1 maart 1996 te Staphorst. De verdachte, lid van de Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu, voerde aan dat hij door de toevoeging van Fysische Ionen Regulatie (FIR) aan het voedsel en de mest van zijn dieren voldeed aan de doelstellingen van de wetgever, ondanks dat hij de mest niet op de voorgeschreven emissiearme wijze uitreed. In eerste aanleg werd zijn verweer door de politierechter verworpen en werd hij veroordeeld tot een geldboete van f 100,--. De verdachte stelde hoger beroep in op principiële gronden, ondanks dat de officier van justitie geen hoger beroep had ingesteld.

Het hof constateerde dat er een aanzienlijke vertraging was opgetreden tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling van de zaak, met bijna 28½ maand tussen deze twee momenten. Dit tijdsverloop was voornamelijk te wijten aan de traagheid van de afhandeling van het vonnis door de politierechter. Het hof oordeelde dat deze vertraging een ernstige schending van de redelijke termijn vormde, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Gelet op de ernst van deze schending, in samenhang met de omstandigheden van de zaak, oordeelde het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn vervolging. Het hof weegt hierbij het belang van de gemeenschap bij normhandhaving tegen het belang van de verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging na overschrijding van de redelijke termijn. In dit geval prevaleerde het belang van de verdachte, die langdurig onder de dreiging van strafvervolging had moeten leven, wat een aanzienlijke impact had op zijn (beroeps)leven. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Uitspraak

Parketnummer: 21-000868-98
Uitspraak dd.: 12 maart 2001
TEGENSPRAAK
GERECHTSHOF TE ARNHEM
economische kamer
ARREST
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 20 februari 1998 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 07-070131-96 en 07-070158-97, tegen
DE VERDACHTE,
geboren in het jaar1943,
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 februari 2001 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte heeft ter terechtzitting opgegeven dat hij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij hij ter zake van het onder 3 telastegelegde werd vrijgesproken, zodat het hof verstaat dat het hoger beroep van verdachte uitsluitend is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder 1 en 2 telastegelegde werd veroordeeld.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Namens verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, omdat de periode tussen de instelling van het hoger beroep en de behandeling van de zaak in hoger beroep onredelijk lang is, zulks getoetst aan artikel 6 lid 1 EVRM.
Voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen is verdachte in de onderhavige strafzaak telastegelegd dat hij op 12 februari 1996 en 1 maart 1996 te Staphorst dierlijke meststoffen niet emissiearm heeft aangewend.
Verdachte is lid van de Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu en heeft gesteld dat hij door de door deze vereniging gepropageerde toevoeging van Fysische Ionen Regulatie (FIR) aan het voedsel en/of de mest van zijn dieren zijn bedrijfsvoering dusdanig heeft ingericht dat hij aan de doelstelling van de wetgever, een aanmerkelijke reductie van de ammoniakemissie, voldoet zonder dat hij de mest op de krachtens de wet voorgeschreven emissiearme wijze uitrijdt, terwijl deze wijze van bedrijfsvoering een aantal milieutechnische voordelen heeft die ook door de overheid worden onderschreven.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte om voormelde reden een beroep gedaan op het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid.
Bij vonnis van 6 maart 1998 is dit namens verdachte gevoerde verweer door de economische politierechter te Zwolle verworpen en is verdachte veroordeeld tot een geldboete van f 100,--.
Verdachte heeft op 16 maart 1998 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft geen hoger beroep ingesteld ondanks dat in deze en soortgelijke strafzaken een aanmerkelijk hogere straf is geëist.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte aangegeven dat hij om voormelde redenen op principiële gronden hoger beroep heeft ingesteld.
Het hof stelt vast dat tussen de dag waarop hoger beroep werd ingesteld en de binnenkomst van het dossier ter griffie van het hof, te weten 27 juli 2000, bijna 28½ maand zijn verstreken, waarna 7 maanden zijn verstreken tot de behandeling van de zaak in hoger beroep ter terechtzitting van het hof op 26 februari 2001.
Het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en de inzending van het dossier is kennelijk enkel te wijten aan het gebrek aan voortvarendheid waarmee het vonnis van de politierechter is uitgewerkt en de zaak naar de griffie van dit hof is gezonden. De ingewikkeldheid van voormelde problematiek, en de invloed die de verdediging op het procesverloop heeft gehad, hebben in deze fase van de vervolging geen invloed gehad op het tijdsverloop. Vervolgens is de zaak niet met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting van het hof aangebracht, zodat tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling van dit beroep in totaal bijna drie jaar is verstreken. Naar oordeel van het hof is er sprake van een ernstige schending van de redelijke termijn.
Gelet op de ernst van de schending van de redelijke termijn, zulks in onderling verband en samenhang beschouwd met voormelde feiten en omstandigheden, kan het openbaar ministerie niet in zijn vervolging worden ontvangen.
Hierbij heeft het hof enerzijds gelet op het belang dat de gemeenschap ook na de overschrijding behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds op het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden. In het onderhavige geval moet naar oordeel van het hof het laatste belang prevaleren, nu verdachte aanmerkelijk langer dan redelijk onder dreiging van voortgezette strafvervolging heeft moeten leven. Ter terechtzitting van het hof van 26 februari 2001 is gebleken dat de ernst van deze dreiging niet zozeer werd gevormd door de hoogte van een eventueel in hoger beroep op te leggen geldboete, maar door de langdurige onzekerheid waarin verdachte heeft verkeerd over de toelaatbaarheid (van een deel van) de wijze van bedrijfsvoering die hij in zijn boerenbedrijf voorstaat. Aldus heeft deze dreiging diep ingegrepen in het (beroeps)leven van verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr Kerssemakers, voorzitter,
mrs Van den Heuvel en Buruma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr Van Laethem, griffier,
en op 12 maart 2001 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr Buruma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.