ECLI:NL:GHARN:2001:AB0565
Gerechtshof Arnhem
- Raadkamer
- F.Th. Boerwinkel
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring gerechtshof inzake verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging gevangenisstraf
Verzoeker, veroordeeld bij verstek tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden door de politierechter te Arnhem, verzocht het gerechtshof Arnhem om schorsing van de tenuitvoerlegging van deze straf. Het verzoek was gebaseerd op artikel 557, derde lid, onder 2e van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overwoog dat dit artikel bepaalt dat een dergelijk verzoek gericht moet worden aan de voorzitter van het gerecht waarvan de rechter die de straf oplegde deel uitmaakt. Aangezien de straf door de politierechter van de rechtbank was opgelegd, had het verzoek gericht moeten worden aan de voorzitter van die rechtbank.
Het gerechtshof verklaarde zich daarom onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Dit oordeel bleef onverminderd ondanks het feit dat het hof eerder verzoeker niet-ontvankelijk had verklaard in het hoger beroep en dat verzoeker tegen dat arrest beroep in cassatie had ingesteld.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.