ECLI:NL:GHARN:2001:AB0620

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
6 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98-03960
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a Wet op de omzetbelasting 1968Art. 40 Wet op de omzetbelasting 1968Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor onjuiste opgave afnemersnummer in omzetbelastinglijst

Belanghebbende, een vennootschap onder firma, diende over het eerste kwartaal van 1998 een lijst in zoals bedoeld in artikel 37a van de Wet op de omzetbelasting 1968. Op deze lijst stond een onjuist nummer vermeld van een in Spanje gevestigde afnemer. De Inspecteur verzocht belanghebbende schriftelijk om correctie, maar ook de reactie van belanghebbende bevatte een onjuist nummer.

Hoewel belanghebbende ook over het tweede en vierde kwartaal van 1997 onjuiste opgaven had gedaan, werden deze niet beboet. De Inspecteur legde op grond van artikel 40 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 een boete van ƒ250 op vanwege de onjuiste opgave in het eerste kwartaal 1998.

Het Hof oordeelde dat de boetebeschikking terecht was opgelegd. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat haar niets te verwijten viel. Van haar mocht worden verwacht dat zij het juiste nummer zou achterhalen nadat bleek dat eerdere opgaven onjuist waren. Het feit dat de onjuistheid alleen bestond uit het ontbreken van de landencode en dat de Inspecteur dit ambtshalve herstelde, doet hieraan niet af.

Het Hof wees een kostenveroordeling af wegens het ontbreken van termen daarvoor. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de boete van ƒ250 wegens onjuiste opgave van het afnemersnummer.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
achtste enkelvoudige belastingkamer
nummer 98/03960
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : v.o.f. X
te : Z
inspecteur : het Hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen P (hierna: de Inspecteur)
beslissing : uitspraak op een bezwaarschrift
beschikking : verzuimboete artikel 40 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), beschikkingnummer F.01
tijdvak : 1e kwartaal 1998
mondelinge behandeling : gehouden te Arnhem op 20 februari 2001
waarbij verschenen : de Inspecteur
niet verschenen : belanghebbende of haar gemachtigde, hoewel blijkens de van de PTT ontvangen retourkaart de uitnodiging op 5 februari 2001 aan de gemachtigde is uitgereikt
gronden:
1. Belanghebbende heeft over het eerste kwartaal van 1998 een lijst ingediend zoals bedoeld in artikel 37a van de Wet. Op deze lijst heeft zij een onjuist nummer vermeld van een in Q, Spanje, gevestigde afnemer. De Inspecteur heeft belanghebbende schriftelijk verzocht de onjuistheid te herstellen. Belanghebbende heeft tijdig op dit verzoek gereageerd, maar zij heeft in haar reactie wederom een onjuist nummer vermeld.
2. Hoewel belanghebbende met betrekking tot dezelfde afnemer ook over het tweede en het vierde kwartaal van 1997 een onjuiste opgave heeft gedaan (welke onjuiste opgaven door de Inspecteur niet zijn beboet) heeft de Inspecteur, in verband met het in 1. gestelde, aan belanghebbende op grond van artikel 40 van Pro de Wet juncto Hoofdstuk V, Afdeling C, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, aan belanghebbende bij beschikking een boete opgelegd van ƒ 250.
3. De bepaling van artikel 40 dient Pro tot inscherping van de verplichtingen die de Wet aan ondernemers oplegt in het geval zij goederen leveren aan ondernemers die in andere lidstaten van de EU zijn gevestigd. De Inspecteur heeft in de van hem afkomstige stukken van dit geding voldoende aangegeven welk belang is gediend met de juiste naleving van die verplichtingen.
4. Het Hof is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de Inspecteur de boetebeschikking terecht heeft opgelegd. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat haar op geen enkele wijze kan worden verweten de onjuiste opgave te hebben gedaan. Van haar kon en mocht worden verwacht dat zij, nadat over het tweede en het vierde kwartaal was gebleken dat de opgaaf met betrekking tot de onderhavige afnemer onjuist was, het juiste nummer van deze afnemer zou achterhalen. Reeds het kennisnemen van de toelichting die de Inspecteur belanghebbende verstrekte ten behoeve van het indienen van de lijst was daartoe voldoende.
5. Aan het vorenstaande doet niet af dat de onjuistheid slechts daarin bestond dat de landencode niet bij het nummer werd vermeld, en dat de Inspecteur die fout, in elk geval met betrekking tot het tweede kwartaal van 1997, ambtshalve heeft hersteld. Belanghebbende kan daaraan niet het vertrouwen ontlenen dat ook bij een onjuiste opgaaf over een toekomstig kwartaal de Inspecteur de fout zal herstellen en het opleggen van een boete achterwege zal laten. In een omvangrijk en geautomatiseerd proces als het onderhavige waarin in elk kwartaal honderdduizenden lijsten moeten worden verwerkt kan zulks niet van de Inspecteur worden verwacht. In het onderhavige geval geldt dit temeer nu op de lijst over het eerste kwartaal slechts de naam van de afnemer is vermeld, doch niet de woonplaats of het land waarin die afnemer is gevestigd.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
beslissing:
Het Gerechtshof:
verklaart het beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem op 6 maart 2001 door mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheer, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van N.Th. Wagener als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(N.Th. Wagener) (J.P.M. Kooijmans)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 maart 2001
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ¦ 150. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.