ECLI:NL:GHARN:2001:AB1166
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag vennootschapsbelasting wegens niet-toepassing deelnemingsvrijstelling
Belanghebbende, een beheermaatschappij opgericht in 1992, had in 1995 aandelen in D BV, die zij op 18 april 1995 verkocht met een voordeel van ƒ 8.000. Bij de aangifte vennootschapsbelasting 1995 had belanghebbende dit voordeel als deelnemingsvoordeel opgegeven en vrijgesteld volgens artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Inspecteur volgde dit aanvankelijk, maar legde later een navorderingsaanslag op waarin het voordeel werd belast omdat de aandelen als voorraad werden gehouden en de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aandelen niet als voorraad zijn gehouden. De aandelen waren slechts kort in bezit en D BV had geen activiteiten ontplooid voor verkoop. De oprichting van D BV was voltooid met de intentie de aandelen spoedig te vervreemden, mede omdat belanghebbende niet aan vergunningseisen kon voldoen. Hierdoor is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing.
Belanghebbende stelde dat de navorderingsaanslag niet gerechtvaardigd was wegens het ontbreken van een nieuw feit. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan door de aangifte aanvankelijk te volgen en dat de informatie over 1995 die bij onderzoek van 1996 bekend werd, een nieuw feit vormt dat navordering rechtvaardigt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag bevestigd. Het Hof wijst proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag omdat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op het voordeel uit de aandelenverkoop.