ECLI:NL:GHARN:2001:AB1539
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Lamens
- mr Matthijssen
- mw mr De Kroon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van belastingaanslag na dividenduitkering ex-beleggingsinstelling
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een vennootschap die tot 1996 de status van fiscale beleggingsinstelling had, ontving in 1997 een dividenduitkering van ƒ 640.000. Dit dividend werd belast tegen het progressieve tarief, terwijl belanghebbende bepleitte dat het bijzondere tarief van 25% toegepast moest worden, conform artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Na bezwaar en vermindering van de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 704.746 met toepassing van het bijzondere tarief op een deel van het inkomen, bleef belanghebbende in beroep gaan tegen de toepassing van het progressieve tarief op het dividend. Het geschil spitste zich toe op de juiste toepassing van artikel 57a lid 3 Wet IB 1964 en de vraag of het progressieve tarief leidt tot schending van het gelijkheidsbeginsel of internationale verdragen.
Het hof oordeelde dat het dividend binnen acht maanden na het verlies van de status van beleggingsinstelling is genoten, waardoor het bijzondere tarief niet van toepassing is en het progressieve tarief terecht werd toegepast. De wetgever heeft bewust gekozen voor deze regeling en er is geen sprake van ongelijke behandeling of schending van het gelijkheidsbeginsel. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.
Uitkomst: Het hof bevestigt de aanslag en toepassing van het progressieve tarief op het dividend.