ECLI:NL:GHARN:2001:AB2073
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.B.H. Röben
- mw mr De Kroon
- mr Kooijmans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwaardering vorderingen binnen fiscale eenheid in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een houdstermaatschappij binnen een concern, betwistte de aanslag vennootschapsbelasting 1992 die was gebaseerd op de waardering van vorderingen op een dochtermaatschappij met een negatief eigen vermogen. De Inspecteur handhaafde de aanslag en stelde dat de bedrijfswaarde van de vorderingen moest worden beoordeeld aan de hand van de vermogenspositie van de juridische schuldenaar BR, niet die van de moedermaatschappij B Beheer.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of standaardvoorwaarde 2.a. van de fiscale eenheid dwingt tot afwaardering van de vorderingen en welke vermogenspositie daarbij leidend is. Het Hof oordeelde dat de civielrechtelijke schuldenaar, BR, bepalend is voor de waardering en dat het negatieve eigen vermogen van BR niet automatisch leidt tot afwaardering.
Verder concludeerde het Hof dat de vorderingen niet op lagere bedrijfswaarde behoefden te worden gewaardeerd omdat belanghebbende onverkort krediet had verleend en tussentijdse aflossingen hadden plaatsgevonden. De negatieve resultaten in 1992 waren mede veroorzaakt door incidentele lasten en er was geen blijvende verslechtering van de financiële positie. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1992 wordt ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.