ECLI:NL:GHARN:2001:AB2164
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.C.M. de Kroon
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof vermindert boete naheffingsaanslag omzetbelasting wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende exploiteert een onderneming die bemiddelt bij de in- en verkoop van roerende zaken in de horecabranche. Tijdens een boekenonderzoek in oktober 1997 bleek dat zij zonder voorafgaande goedkeuring het kasstelsel toepaste en over een groot deel van de ontvangen vergoedingen geen omzetbelasting had voldaan. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag en een boete van 25% op.
Het geschil betrof de toepassing van artikel 31 en Pro artikel 12 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968, de juiste grondslag voor de naheffing, het toepasselijke stelsel (kas- of factuurstelsel) en de rechtmatigheid van de boete. Het Hof oordeelde dat artikel 31 niet Pro van toepassing was omdat geen sprake was van overdracht van een onderneming en dat het kasstelsel niet mocht worden toegepast door belanghebbende. De naheffing was terecht gebaseerd op het factuurstelsel over netto-ontvangsten.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende grove schuld had door lichtvaardig af te gaan op de verklaring van haar accountant zonder deze te verifiëren en door het niet naleven van administratieve verplichtingen. Echter, het Hof vond dat de boete verminderd moest worden vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van circa 38 maanden tussen boeteoplegging en mondelinge behandeling, wat in strijd was met artikel 6 EVRM Pro.
De boete werd daarom gehalveerd van ƒ 20.025,- naar ƒ 10.012,-. De naheffingsaanslag bleef ongewijzigd. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting wordt bevestigd, maar de boete wordt gehalveerd wegens overschrijding van de redelijke termijn.