ECLI:NL:GHARN:2001:AD5757

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
14 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
5430
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Kuijck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591 SvArt. 591a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid tot behandeling verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand na niet vervolging dood door schuld

In deze zaak heeft de officier van justitie besloten tot niet (verdere) vervolging van verzoeker wegens dood door schuld gepleegd op 15 januari 1997 in Nijmegen. Een derde belanghebbende heeft bij het hof beklag gedaan tegen deze beslissing, maar dit leidt niet tot voortzetting van de vervolging tenzij het hof een bevel tot vervolging geeft.

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend bij het Gerechtshof Arnhem tot toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand. Het hof heeft in openbare raadkamer de advocaat-generaal en de raadsman van verzoeker gehoord en de processtukken bestudeerd.

Het hof concludeert dat op grond van artikel 591a vierde lid juncto artikel 591 tweede Pro lid Sv de vaststelling van de vergoeding geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg waar de zaak werd of laatst werd vervolgd. Nu de vervolging is beëindigd en verzoeker zich tot het hof heeft gewend dat niet bevoegd is, verklaart het hof zich onbevoegd en verwijst de stukken naar de arrondissementsrechtbank Arnhem, de bevoegde instantie.

Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand naar de arrondissementsrechtbank Arnhem.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM
avnr: 5430
Het hof heeft gezien het op 19 juli 2001 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van mr J.J.W. Remme, advocaat te Utrecht, namens
[Naam],
wonende te [adres],
hierna te noemen verzoeker,
strekkende tot toekenning van een vergoeding ter zake van kosten van rechtsbijstand, vermeerderd met de kosten van dit verzoek.
Het hof heeft in openbare raadkamer van 24 oktober 2001 de advocaat-generaal en de raadsman van verzoeker, mr M.P. Schilt, advocaat te Utrecht gehoord.
Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het proces-dossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal.
OVERWEGINGEN:
Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of het hof bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Bepalend hiervoor is artikel 591a, vierde lid juncto artikel 591, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, welke laatste bepaling inhoudt dat de vaststelling van de vergoeding geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd.
In de strafzaak tegen verzoeker heeft de officier van justitie beslist tot niet (verdere) vervolging van verzoeker terzake van dood door schuld, gepleegd te Nijmegen op 15 januari 1997. Met deze beslissing is in beginsel de zaak beëindigd. Hieraan doet niet af dat een derde belanghebbende bij dit hof beklag heeft gedaan over de beslissing van de officier van justitie tot niet (verdere) vervolging. De vervolging blijft in dat geval beëindigd behoudens een bevel van het hof tot (verdere) vervolging. Met inachtneming van het hiervoor geformuleerde criterium is derhalve in dezen de arrondissements-rechtbank te Arnhem de bevoegde instantie.
Nu verzoeker zich heeft gewend tot een nietbevoegde rechter, zal het hof verstaan dat verzoeker zich heeft willen wenden tot de welbevoegde rechter en bepalen dat de stukken aan deze zullen worden gezonden.
BESLISSING
Het hof verklaart zich onbevoegd om van het verzoekschrift kennis te nemen, verstaat dat verzoeker zich heeft willen wenden tot de welbevoegde rechter, te weten de arrondissementsrechtbank te Arnhem en bepaalt dat de stukken aan de griffie van deze rechtbank zullen worden gezonden.
Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr Van Kuijck, voorzitter, te dezen aangewezen op de voet van artikel 591, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in tegenwoordigheid van Nijdeken, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2001.