ECLI:NL:GHARN:2001:AE0864

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
1 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2001/609
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Houtman
  • Smeeïng-Van Hees
  • Groen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 WTBZArt. 2 lid 1 WTBZWet Tarieven Burgelijk RechtWet Schuldsanering Natuurlijke Personen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling griffierecht bij hoger beroep in schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem op 1 november 2001 uitspraak gedaan over de verschuldigdheid van griffierecht bij hoger beroep in een procedure omtrent de wettelijke schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen.

De opposante, hierna X., was in eerste aanleg vrijgesteld van griffierecht bij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Na beëindiging van deze regeling en bekrachtiging daarvan door het hof, werd aan haar procureur in hoger beroep griffierecht in rekening gebracht. X. kwam hiertegen tijdig in verzet en verzocht het hof haar te ontheffen van het griffierecht of dit op nihil te stellen.

Het hof overwoog dat volgens artikel 15 lid 1 van Pro de Wet Tarieven Burgelijk Recht (WTBZ) geen griffierecht wordt geheven bij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in eerste aanleg, mede om financiële drempels te voorkomen. Echter, in hoger beroep geldt de hoofdregel dat griffierecht verschuldigd is, omdat het verzoekschrift door een procureur moet worden ingediend en er geen specifieke vrijstelling geldt.

Daarom verklaarde het hof het verzet ongegrond en bevestigde dat griffierecht bij hoger beroep in deze context verschuldigd is. De beschikking werd gegeven door mrs. Houtman, Smeeïng-Van Hees en Groen, zonder mondelinge behandeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de heffing van griffierecht bij hoger beroep in de schuldsaneringsprocedure wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem
Beschikking
In de zaak van:
X.,
wonende te P.,
opposante,
procureur: mr. J.B.R. Daniëls.
1. De procedure
1.1. Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 7 augustus 2001 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van opposante (hierna te noemen: X.) op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd. Bij arrest van dit hof van 3 september 2001 is voormeld vonnis bekrachtigd. Het aan de procureur van X. in hoger beroep in rekening gebrachte vast recht is gesteld op f.1178,75.
1.2. Onder verwijzing naar een brief van de griffier van 5 september 2001 is X. bij op 13 september 2001 ter griffie ingekomen verzoekschrift is verzet gekomen van de beslissing van de griffie tot heffing van voormeld vast recht. X. heeft het hof verzocht haar te ontheffen van het opgelegde griffierecht, althans het griffierecht op nihil te stellen, kosten rechtens.
1.3. Een mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden, nu de advocaat van X. mr. M. Smit, advocaat te Almelo, de griffier telefonisch heeft medegedeeld af te zien van een mondelinge behandeling.
2. De ontvankelijkheid van het verzet
2.1. Ingevolge artikel 25 lid 1 van Pro de Wet Tarieven Burgelijk in Burgelijke Zaken (verder: WTBZ) kunnen hij van wie de rechten en verschotten zijn geheven alsmede, in het eerste geval de voorschotgever, in het tweede geval hij die de rechten en verschotten betaalde, bij het gerecht ter griffie waarvan het voorschot werd gestort of werd betaald, gedurende een maand na de mededeling van de uit het voorschot verrekende rechten en verschotten en bij rechtstreekse betaling daarvan, binnen een maand na die betaling, tegen de beslissing van de griffier bij verzoekschrift in verzet komen.
2.2. X. is tijdig in verzet gekomen.
3. De beoordeling
3.1. X. stelt- met verwijzing naar artikel 15 lid 1 WTBZ Pro- dat het de bedoeling van de wetgever is om natuurlijke personen in een penibele financiële situatie, die noopt tot het verzoeken van toepassing van de schuldsaneringsregeling, te vrijwaren van het betalen van griffierecht en daarmee de toegang tot de rechter open te houden zonder financiële drempel. Volgens X, kan het niet zo zijn dat in het geval een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in eerste aanleg wordt afgewezen en verzoeker tegen die beslissing hoger beroep wenst aan te tekenen alsnog een financiële barriére wordt opgeworpen, waarmee haar de toegang tot appélrechter wordt ontnomen. Voorts is namens X. aangevoerd dat de beroepstermijn slechts acht dagen bedraagt, zodat snel een advocaat moet worden ingeschakeld die de zaak moet beoordelen en moet proberen een voorschot eigen bijdrage en griffierecht te incasseren, hetgeen ertoe leidt dat vaak appél wordt ingesteld zonder dat voorschotten kunnen worden geïncasseerd.
3.2. In de parlemantaire stukken met betrekking tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wet tot Wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen (22 969), MvT p. 34 en MvA II, p. 31 en de Invoeringswet schuldsanering natuurlijke personen (23 429), MvT p. 1) wordt aangegeven dat er zo weinig mogelijk belemmeringen moeten zijn voor het indienen van een verzoekschrift- zowel wat betreft financiële aspecten als vormvoorschriften- en dat daarom geen griffierecht verschuldigd zal zijn, waarmee de toegankelijkheid van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt bevorderd. In dat verband wordt er tevens gewezen dat geen verplichte procureurstelling wordt voorgeschreven. In overeenstemming hiermee bepaalt artikel 15 lid 1 WTBZ Pro dat geen vast recht wordt geheven ter zake van een verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
3.3. Naar het oordeel van het hof betekent dit niet dat dan ook in hoger beroep geen griffierecht is verschuldigd. Immers, in hoger beroep dient, anders dan eerste aanleg, het verzoekschrift te worden ingediend door een procureur. Nu dit het geval is, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel weergegeven in de tweede volzin van artikel 2 lid 1 WTBZ Pro, inhoudende dat voor de indiening van een verzoekschrift anders dan bedoeld in artikel 14 derde Pro lid (betreffende verzoekschriften aan de president van de rechtbank of het gerechtshof) of een verweerschrift voor ieder instantie een vast recht wordt geheven. Het verzet is dan ook ongegrond.
4. De beslissing
Het hof:
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Houtman, Smeeïng-Van Hees en Groen, in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2001 en bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer.