ECLI:NL:GHARN:2001:AF0564

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
25 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2001-641
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Houtman
  • Van Wijland-Kalkman
  • Smeeïng-Van Hees
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 onder b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden

X. en Y., gehuwd buiten gemeenschap van goederen, hebben in ruim een jaar hun gezamenlijke schuldenlast laten oplopen tot ongeveer 100.000 gulden. Deze schulden omvatten onder meer een hypothecaire lening en diverse schulden bij banken en kredietverstrekkers.

Zij voerden aan dat de hoge schuldenlast mede veroorzaakt werd door persoonlijke omstandigheden, zoals een moeilijke bevalling van X. en werkloosheid van Y. Het hof oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende rechtvaardigen dat de schuldenlast zo hoog opliep zonder tijdig hulp te zoeken.

Het hof concludeerde dat X. en Y. niet te goeder trouw hebben gehandeld bij het ontstaan van de schulden, zoals bedoeld in artikel 288 lid 2 sub b Faillissementswet Pro. De korte periode waarin de schulden zijn ontstaan en de omvang ervan vormen een afwijzingsgrond.

Hoewel X. en Y. sinds december 2000 meewerken aan een budgetbeheerregeling en hun financiële situatie willen verbeteren, is dit onvoldoende om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te staan.

Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de rechtbank Almelo dat het verzoek tot schuldsanering afwees.

Uitkomst: Het hof bevestigt de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering wegens niet te goeder trouw ontstaan van de schulden.

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem
Arrest
in de zaak van:
X.,
en
Y.,
echtelieden,
wonende te P.,
appellanten,
procureur mr. J.M. Bosnak.
1. Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank te Almelo van 26 september 2001 is het verzoek van appellanten (hierna te noemen: X., Y.) tot definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.
Het hof verwijst naar voormeld vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.
2. het geding in hoger beroep
2.1. Bij ter griffie van het hof per fax op 4 oktober 2001 en per gewone post op 5 oktober 2001 ingekomen verzoekschrift zijn X. en Y. in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis, waarbij hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
2.2. Bij voormeld verzoekschrift hebben X. en Y. het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hen van toepassing te verklaren.
2.3. Het hof heeft kennis genomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken.
2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2001, waarbij X. en Y. zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr. P.M.H. Meiborg-Bartholomeus, advocaat te Almelo.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1. Het beroep is tijdig ingesteld.
3.2. X. en Y. zijn op 19 juli 1999 buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Blijkens de staat van aanbrengsten is destijds door X. een schuld van f.4.500,-- aangebracht en door Y. een schuld van f.12.000,-. Daarna is de totale gezamelijke schuldenlast van X. en Y. een tijdsbestek van ruim een jaar opgelopen tot ongeveer f.100.000,--. Tot de schuldenlast behoren onder meer een hypothecaire schuld van f.37.680,83, een schuld aan IDM Bank van f.18.670,64, een schuld aan Fait Credit Nederland van f.17.114,30 en diverse onbetaalde rekeningen van telefoon- en verzekeringsmaatschappijen.
3.3. Ter verklaring van het ontstaan van hun schuldenlast hebben X. en Y. aangevoerd dat X., die de financiële zaken regelde, eind 1999 een moeilijke bevalling heeft moeten doormaken en - daardoor- overspannen is geraakt. Voorts is het onkomen van Y. gedaald, omdat hij begin 2000 een aantal maanden werkeloos is geweest en daarna een lager salaris ontving dan voorheen.
3.4. Het hof is met de rechtbank van oordeel van X. en Y. ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van het grootste deel van de schulden niet te goeder trouw - in de zin van artikel 288 lid 2 onder Pro b van de Faillissementswet (Fw) - zijn geweest. De overspannenheid van X. kan -zonder nadere beschouwing- het ontstaan van een dergelijke hoge schuldenlast niet rechtvaardigen. Het had op de weg van X. en Y. gelegen eerder hulp te zoeken bij het op orde brengen van hun financiën. Dat zij het financieel tegenzat en Y. wegens werkeloosheid thuis was, zijn doorgegaan met het doen ontstaan van schulden.
3.5. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan X. en Y. desondanks zouden moeten worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken. X. en Y. hebben in dat kader aangevoerd dat zij sinds december 2000 meewerken aan een budgetbeheerregeling, leven van f.150,-- 'weekgeld'en hebben verklaard dat zij er alles aan willen doen om uit de financiële problemen te raken. Dat us naar 's hofs oordeel vooralsnog onvoldoende om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, gelet op de aard en de omvang van de niet te goeder trouw ontstane schulden en de relatief korte periode waarin die schukden zijn ontstaan.
3.6. Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat beide verzoeken moeten worden afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigd het vonnis van de rechtbank te Almelo van 26 september 2001.
Dit arrest is gewezen door mrs. Houtman, Van Wijland-Kalkman en Smeeïng-Van Hees en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2001.