ECLI:NL:GHARN:2002:AE1117

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
28 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99-03063
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WazArt. 7 Wet IBArt. 42 Wet IBArt. 72 Waz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling premie-inkomen WAZ en correctie privégebruik personenauto

Belanghebbende, samen met haar echtgenoot ondernemer in een vennootschap onder firma, maakte bezwaar tegen een aanslag WAZ gebaseerd op een premie-inkomen van ƒ 42.887, inclusief een forfaitaire correctie van ƒ 8.787 voor privégebruik van een personenauto. Zij stelde dat deze correctie buiten aanmerking moest blijven omdat de WAZ verwijst naar een ander hoofdstuk van de Wet IB dan waar deze correctie is opgenomen.

De Inspecteur handhaafde de aanslag en stelde dat het winstbegrip in de WAZ gelijk is aan dat in de Wet IB, inclusief de forfaitaire correctie voor privégebruik van de auto. Het Hof bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de winst uit onderneming voor de WAZ gelijk is aan de winst na correctie voor privégebruik van de auto zoals forfaitair bepaald in artikel 42 van Pro de Wet IB.

Het Hof wees erop dat de wetgever met de WAZ de regeling onder de AAW wilde continueren en dat de forfaitaire correctie geen bijtelling is maar een correctie op de kosten. Belanghebbende had geen bewijs geleverd om het forfait te weerleggen. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.

Proceskosten werden niet toegewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag WAZ wordt bevestigd.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
Derde meervoudige belastingkamer
nummer 99/03063
U i t s p r a a k
op het beroep van [X te Z], (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen [P], op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan haar opgelegde aanslag op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: Waz) 1998.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
1.1. De aanslag is berekend naar een premie-inkomen van ƒ 42.887 en bedraagt ƒ 1.097. Het aanslagbiljet is gedagtekend 15 juli 1999.
1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt bij brief van 15 juli 1999, blijkens een daarop vermelde aantekening binnengekomen op 20 juli 1999. De Inspecteur heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak van 3 augustus 1999 gehandhaafd.
1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak bij brief van 9 september 1999, binnengekomen op 10 september 1999, in beroep gekomen bij het Hof. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 22 oktober 1999. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 februari 2002 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord [A], tot bijstand vergezeld van [B], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede [de Inspecteur].
1.5. De gemachtigde van belanghebbende heeft, voorafgaand aan de zitting, een pleitnota toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van de pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.
1.6. De mondelinge behandeling van de beroepschriften van belanghebbende en haar echtgenoot [Y] (kenmerk Hof: 99/03062) hebben gelijktijdig plaatsgevonden. Hetgeen door partijen naar voren is gebracht wordt geacht op de beide zaken betrekking te hebben.
2. Feiten
2.1. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.
2.2. Belanghebbende drijft samen met haar echtgenoot een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma. Beiden zijn gelijkelijk gerechtigd tot de winst na aftrek van een vergoeding voor arbeid en geïnvesteerd vermogen.
2.3. In het onderhavige jaar hebben, opeenvolgend, drie personenauto's tot het vermogen van de onderneming behoord. Het bedrag aan kosten van de personenauto's dat op grond van artikel 42, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB) geacht wordt niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming bedraagt ƒ 17.573.
2.4. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen (vóór toepassing van de fiscale oudedagsreserve) van ƒ 30.775. Hierin is begrepen een bedrag aan winst uit onderneming van ƒ 42.887. Gelet op de winstverdeling is in de door belanghebbende aangegeven winst uit onderneming de helft van het in 2.3. genoemde bedrag begrepen, ofwel ƒ 8.787.
2.5. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de door belanghebbende ingediende aangifte gevolgd. Hij heeft het premie-inkomen en de aanslag Waz als volgt vastgesteld:
Winst uit onderneming volgens aangifte ƒ 42.887
Af: franchise ƒ 29.000
Heffingsgrondslag ƒ 13.887
Aanslag: 7,9% x ƒ 13.887 = ƒ 1.097
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of bij de vaststelling van het premie-inkomen voor de Waz het in 2.4. genoemde bedrag van ƒ 8.787 buiten aanmerking moet worden gelaten.
3.2. Belanghebbende beantwoordt de vorenstaande vraag bevestigend. Zij wijst op artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de Waz (tekst voor het onderhavige jaar) waarin het begrip winst uit onderneming is gedefinieerd. Zij stelt zich op het standpunt dat in die definitie enkel wordt verwezen naar hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet IB zodat de correctie op de autokosten wegens privé-gebruik van een personenauto buiten aanmerking moet blijven. Die correctie is immers opgenomen in hoofdstuk II, afdeling 5. Indien al rekening moet worden gehouden met privé-gebruik van de personenauto moet, voor de toepassing van de Waz, de waarde daarvan worden bepaald op de werkelijke kosten, in dit geval te stellen op 3.500 kilometers maal ƒ 0,50.
3.3. De Inspecteur is van mening dat de in de aangifte begrepen winst uit onderneming, derhalve inclusief het in 2.3. bedoelde bedrag, tot het premie-inkomen behoort. De wetgever heeft de situatie zoals die gold onder de AAW voort willen zetten en eenvoudshalve in de Waz hetzelfde winstbegrip bedoeld als in de Wet IB.
3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan is ter zitting nog het volgende toegevoegd:
3.4.1. Namens belanghebbende
De Waz is duidelijk. Er is een verwijzing naar hoofdstuk II, afdeling 2 en niet naar hoofdstuk II, afdeling 5, van de Wet IB. De Staatssecretaris van Financiën heeft in het Besluit van 15 november 1999 geen nadere invulling aan dit onderwerp gegeven. Het aantal werkelijk gereden privé-kilometers kan gesteld worden op 3.500 en de werkelijke kosten op ƒ 0,50 per kilometer.
3.4.2. Namens de Inspecteur
Hij gaat ervan uit dat de personenauto in privé gebruikt wordt. Belanghebbende heeft geen kilometeradministratie bijgehouden. De winstcorrectie volgt uit artikel 7 van Pro de Wet IB. Ook als artikel 42 van Pro de Wet IB niet van toepassing is stelt hij het privé gebruik op de in de winst verwerkte correctie van ƒ 17.573. Hij heeft geen onderzoek gedaan naar de werkelijke waarde van het privé-gebruik van de personenauto.
3.5. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het Hof begrijpt, primair tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een premie-inkomen van ƒ 34.100 en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een premie-inkomen van ƒ 34.975. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op het bezwaarschrift.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Artikel 1 van Pro de Waz (tekst 1998) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"1. In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
(...)
i. winst uit onderneming: winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
(...)"
4.2. Op grond van artikel 7 van Pro de Wet IB, dat is opgenomen in hoofdstuk II, afdeling 2 van die wet, is winst het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende winst uit onderneming geniet. Het begrip voordelen moet algebraïsch worden opgevat en omvat zowel de opbrengsten als de kosten van de onderneming.
4.3. Bij het bepalen van de winst uit onderneming moeten toevoegingen en onttrekkingen aan het ondernemingsvermogen door de ondernemer buiten aanmerking worden gelaten. Op deze grond moeten de kosten die verbonden zijn aan het houden van een personenauto die tot het ondernemingsvermogen behoort, en die betrekking hebben op het privé-gebruik van die auto, bij het bepalen van de winst buiten aanmerking blijven. Het bedrag van de autokosten dat op deze grond buiten aanmerking moet blijven is, behoudens tegenbewijs voor nader omschreven situaties, door de wetgever forfaitair vastgesteld. Noch de omstandigheid dat sprake is van een forfait, noch de plaats waar dit forfait in de Wet IB is opgenomen, kan inbreuk maken op het uitgangspunt van artikel 7 van Pro de Wet IB dat de voordelen moeten worden gecorrigeerd voor zover sprake is van niet-zakelijke elementen. De Wet IB kent maar één winstbegrip. De, al dan niet met toepassing van wettelijke forfaits, vastgestelde winst is de winst uit onderneming als bedoeld in artikel 7 van Pro de Wet IB. Het Hof merkt daarbij op dat artikel 42, tweede lid, van de Wet IB niet, zoals ten onrechte vaak wordt uitgedrukt, een forfaitaire bijtelling bij de winst inhoudt maar een forfaitair bepaalde correctie op de kosten van de onderneming.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de winst uit onderneming die op grond van artikel 72, eerste lid, van de Waz tot het premie-inkomen hoort, de winst is nadat op de kosten, verbonden aan het houden van een personenauto, de kosten die betrekking hebben op het gebruik van die auto anders dan ten behoeve van de onderneming, zijn geëlimineerd. Dezelfde winst derhalve als die voor het vaststellen van het belastbare inkomen voor de toepassing van de Wet IB in aanmerking moet worden genomen. Dit is, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Waz, ook de bedoeling geweest van de wetgever.
4.5. Belanghebbende heeft niet het bewijs, als bedoeld in artikel 42, vijfde lid, van de Wet IB, geleverd. Integendeel, ter zitting heeft haar gemachtigde verklaard dat met de personenauto 3.500 privé kilometers zijn gereden. Alsdan is niet in geschil dat de winst van belanghebbende, bedoeld in artikel 7 van Pro de Wet IB, ƒ 42.887 bedraagt.
4.6. Aan het hiervoor overwogene doet niet af dat de wetgever een en ander met ingang van het jaar 2001 anders heeft omschreven. Dit vloeit mede voort uit de keuze van de wetgever het voordeel in verband met het privé-gebruik van een personenauto in de Wet inkomstenbelasting 2001 in twee afzonderlijke artikelen (3:20 en 3:145) op te nemen. Met de aanpassing van de Waz aan de nieuwe Wet IB 2001 is slechts een technische en niet een inhoudelijke aanpassing beoogd. Daarin kan naar het oordeel van het Hof een bevestiging worden gevonden voor hetgeen hiervoor is overwogen.
4.7. Het vorenstaande betekent dat het gelijk aan de Inspecteur is. De uitspraak op het bezwaarschrift moet worden bevestigd.
5. Proceskosten
Het Hof vindt geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij het Hof heeft moeten maken.
6. Beslissing
Het Gerechtshof
- verklaart het beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Aldus gedaan te Arnhem op 28 februari 2002 door mr. J.B.H. Röben, voorzitter, mr. M.C.M. de Kroon en mr. J.P.M. Kooijmans, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. mr. M.M. Nuboer als griffier.
(M.M. Nuboer) (J.B.H. Röben)
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 maart 2002
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien u na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.