ECLI:NL:GHARN:2002:AE2100

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
27 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00-02176
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J. Lamens
  • A. van Schie
  • P. de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van belastingaanslag en ontvankelijkheid van verzoek

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem op 27 februari 2002 uitspraak gedaan in een verzoek om herziening van een eerdere uitspraak van het Hof van 16 juni 1999. De belanghebbende had in 1985 een pand gekocht en dit voor 50% als privévermogen aangemerkt. Echter, bij de afrekening in 1992 werd het pand volledig als ondernemingsvermogen beschouwd. De belanghebbende stelde dat hij niet ontvankelijk moest worden verklaard in zijn verzoek tot herziening, omdat hij niet op de hoogte was van bepaalde feiten en omstandigheden. Het Hof oordeelde dat de belanghebbende wel degelijk recht had op de herzieningsprocedure, maar dat dit in zijn geval niet tot een andere uitkomst zou leiden. Het Hof concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die de indiener van het verzoekschrift redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en verklaarde de belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn verzoek. De proceskosten werden niet toegewezen, omdat het Hof geen termen aanwezig achtte voor een kostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de tweede meervoudige belastingkamer, onder leiding van voorzitter mr. J. Lamens, en raadsheren mr. A. van Schie en mr. P. de Vries, met mw. mr. A. Vellema als griffier. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 februari 2002, waarbij de gemachtigde van de belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst aanwezig waren. Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk, maar partijen kunnen binnen vier weken verzoeken om vervanging door een schriftelijke uitspraak.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
Tweede meervoudige belastingkamer
nummer 00/02176
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
ambtenaar : Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]
inzake : verzoek om herziening van de uitspraak van dit Hof van 16 juni 1999, kenmerk 97/20513
soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 1992
mondelinge behandeling : op 13 februari 2002 te Arnhem door mr. Lamens, voorzitter, mr. Van Schie en mr. De Vries, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. mr. Vellema als griffier
waarbij verschenen : [de gemachtigde] van belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]
gronden:
1. Het beroepschrift van belanghebbende waarop het Hof de hiervoor genoemde uitspraak d.d. 16 juni 1999 heeft gedaan, is ter griffie ingekomen op 30 juni 1997, derhalve vóór de inwerkingtreding per 1 september 1999 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna de Awb) ten aanzien van belastingzaken.
Blijkens artikel V van de Wet tot herziening van het fiscale procesrecht is het tijdstip van indiening van het beroepschrift bepalend voor de vraag of het "oude" procesrecht volgens de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: de Warb) van toepassing is dan wel het "nieuwe" recht volgens de Awb.
Nu het beroepschrift onder het regime van de Warb is ingekomen, staat de mogelijkheid van herziening op de voet van hoofdstuk 8, titel 8.4, van de Awb in dezen nog niet open.
2.1. Het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2000, nr. 35.467, waarbij belanghebbendes beroep tegen de eerder genoemde uitspraak d.d. 16 juni 1999 van dit Hof is verworpen, is gewezen na het inwerking treden van hoofdstuk 8 ten aanzien van de belastingrechtspraak.
2.2. Aldus is eerst na het onherroepelijk worden van de onderwerpelijke Hofuitspraak het aanwenden van het middel van herziening van belang geworden, terwijl op dat moment hoofdstuk 8 van de Awb ten aanzien van de belastingrechtspraak gelding had verkregen.
2.3. Het Hof gaat er daarom veronderstellenderwijs van uit dat de in 2.2. bedoelde omstandigheid met zich brengt dat belanghebbende wel rechtens een beroep kan doen op de herzieningsprocedure. Zulks baat echter belanghebbende in dezen niet.
3.1. Belanghebbende voert aan dat het pand in 1985 werd gekocht en in de administratie direct voor 50% als privé werd aangemerkt, terwijl, kennelijk, bij de afrekening in 1992 het gehele pand als ondernemingsvermogen in aanmerking is genomen.
3.2. Uit hetgeen partijen in dezen hebben aangevoerd volgt dat met betrekking tot de in 3.1. weergegeven gegevens niet sprake is van feiten of omstandigheden die de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak redelijkerwijs niet bekend konden zijn.
4. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat belanghebbende niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing
Het Gerechtshof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Aldus gedaan op 27 februari 2002 door de tweede meervoudige belastingkamer in de samenstelling mr. Lamens, voorzitter, mr. Van Schie en mr. de Vries, raadsheren, in tegenwoordigheid van mw. mr. Vellema als griffier en op die dag in het openbaar uitsproken door genoemde voorzitter in tegenwoordigheid van genoemde griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, De voorzitter,
(A. Vellema) (J. Lamens)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 maart 2002
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.