ECLI:NL:GHARN:2002:AE4125

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
24 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01-00437
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Lamens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Art. 40 Kentekenreglement§ 33 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag en boetebeschikking motorrijtuigenbelasting ondanks verkoop voertuig

Belanghebbende was volgens het kentekenregister van 23 mei 2000 tot en met 29 oktober 2000 houder van het motorrijtuig met kenteken [AA-BB-00]. Voor het tijdvak 12 augustus 2000 tot en met 11 november 2000 werd een rekening motorrijtuigenbelasting van ƒ 470 aan belanghebbende gestuurd, met uiterste betaaldatum 8 september 2000. Omdat de belasting niet werd betaald, legde de Inspecteur een naheffingsaanslag van ƒ 470 en een boetebeschikking van ƒ 250 op.

Belanghebbende stelde in beroep dat hij het voertuig op 19 juli 2000 had verkocht en overhandigde aankoopnota en overdrachtsbewijs ter bewijs. Echter, het kentekenregister vermeldde nog steeds belanghebbende als houder op 12 augustus 2000, het begin van het belastingtijdvak. Volgens artikel 7 van Pro de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 geldt de tenaamstelling in het kentekenregister als bepalend voor de heffing.

Het Hof oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat de tenaamstelling niet was gewijzigd conform artikel 40 van Pro het Kentekenreglement. De boete wegens niet-betaling was passend en geboden. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De naheffingsaanslag en boetebeschikking motorrijtuigenbelasting worden bevestigd omdat de tenaamstelling in het kentekenregister niet was gewijzigd.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
zesde enkelvoudige belastingkamer
nummer 01/00437
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Centraal bureau motorrijtuigenbelasting
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : motorrijtuigenbelasting en boetebeschikking
nummer : [01.Y01]
mondelinge behandeling : op 10 april 2002 te Arnhem
waarbij verschenen : [de Inspecteur]
waarbij niet verschenen : belanghebbende, hoewel overeenkomstig de wet opgeroepen
gronden:
1. Belanghebbende is volgens het kentekenregister van 23 mei 2000 tot en met 29 oktober 2000 houder geweest van het motorrijtuig met het kenteken [AA-BB-00]. Voor het tijdvak 12 augustus 2000 tot en met 11 november 2000 is aan belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting toegezonden ten bedrage van ƒ 470. De uiterste betaaldatum van de rekening was 8 september 2000.
2. Omdat op de uiterste betaaldatum de verschuldigd geworden belasting niet was betaald is aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van ƒ 470 en een boetebeschikking van ƒ 250 opgelegd.
3. Na bezwaar zijn de naheffingsaanslag en boetebeschikking bij uitspraak van 30 januari 2001 gehandhaafd. Belanghebbende heeft bij dit Hof beroep ingesteld tegen de bedoelde uitspraak.
4. Belanghebbende heeft in beroep aangevoerd dat de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking ten onrechte aan hem heeft opgelegd, nu hij het betreffende motorrijtuig op 19 juli 2000 heeft verkocht. Teneinde de verkoop aan te tonen heeft belanghebbende kopieën van de aankoopnota en het overdrachtsbewijs overgelegd.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de rekening motorrijtuigenbelasting heeft ontvangen en dat als gevolg van het niet betalen van deze rekening sprake is van een vierde/volgend verzuim als bedoeld in § 33 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het BBBB).
6. Motorrijtuigenbelasting wordt geheven ter zake van het houden van een personenauto. De belasting wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt. Ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de MRB) wordt een motorrijtuig gehouden door degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994.
7. Nu het motorrijtuig op 12 augustus 2000 volgens het kentekenregister op naam van belanghebbende was gesteld en hij op de uiterste betaaldatum de verschuldigde belasting niet had voldaan, is de belasting naar het oordeel van het Hof terecht van hem nageheven. Hieraan doet niet af belanghebbendes stelling dat hij het betreffende motorrijtuig reeds voor aanvang van het tijdvak heeft verkocht, nu de overgelegde stukken niet tot gevolg hebben gehad dat de tenaamstelling van belanghebbende als houder van het betreffende motorrijtuig in het kentekenregister is vervallen conform artikel 40 van Pro het Kentekenreglement.
8. Het Hof is van oordeel dat de door de Inspecteur opgelegde boete wegens het niet betalen van de verschuldigde belasting terecht is opgelegd en in het onderhavige geval passend en geboden is.
slotsom:
Het beroep is niet gegrond.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2002 door mr. J. Lamens, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Linssen als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(I. Linssen) (J. Lamens)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 mei 2002
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.