ECLI:NL:GHARN:2002:AE7310

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
16 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/789
Instantie
Gerechtshof Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van der Poel
  • Olthof
  • Hillen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof veroordeelt Kadaster tot schadevergoeding wegens onjuiste grondoppervlakte

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het Kadaster aansprakelijk was voor de schade die appellant leed door een onjuiste grondoppervlakte die aan hem was overgedragen. Appellant had een grondprijs betaald gebaseerd op een oppervlakte van 570 m2, terwijl later bleek dat slechts 530 m2 was geleverd.

Appellant stelde dat het Kadaster aansprakelijk was voor het tekort en de daaruit voortvloeiende incassokosten die hij had moeten maken nadat de verkoper, S., hem aansprakelijk stelde. Het Kadaster wees deze aansprakelijkheid af, waarop appellant het Kadaster aansprakelijk stelde en vervolgens in hoger beroep ging nadat de kantonrechter zijn vordering had afgewezen.

Het hof oordeelde dat de berekening van de grondprijs door appellant redelijk was en dat het Kadaster onterecht aansprakelijkheid afwees. De incassokosten die appellant had moeten maken werden ook toegerekend aan het Kadaster. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde het Kadaster tot betaling van een bedrag van EUR 4.537,80 plus wettelijke rente en de proceskosten.

Uitkomst: Het Kadaster wordt veroordeeld tot betaling van EUR 4.537,80 plus wettelijke rente en proceskosten wegens onjuiste grondoppervlakte.

Uitspraak

16 juli 2002
tweede civiele kamer
rolnummer 2001/789
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaak van:
1. [appellant sub 1],
2. [appellante sub 2],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
procureur: mr P.C. Plochg,
tegen:
de openbare rechtspersoon Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers,
gevestigd te Apeldoorn,
geïntimeerde,
procureur: mr J.C.N.B. Kaal.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 5 februari 2002. Naar aanleiding van dat tussenarrest is aan [appellant] akte verleend van zijn op schrift gestelde uitlating en heeft hij nadere producties in het geding gebracht. Het Kadaster heeft vervolgens laten weten van antwoordakte af te zien, waarna partijen hun procesdossiers hebben overgelegd voor het wijzen van arrest.
2 De verdere beoordeling van hoger beroep
2.1 Bij voornoemd tussenarrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag hoe hij tot de door hem aan [S.] betaalde grond-prijs van f 325,= per m2 is gekomen, alsmede over het verweer van het Kadaster betreffende de verschuldigdheid van de door hem aan [S.] betaalde incassokosten.
2.2 [appellant] voert bij zijn voormelde akte aan dat de grondprijs is gebaseerd op de door hem in het kader van de met [K.] gesloten koop-/aanneming-overeenkomst betaalde grondkosten ad (in totaal) f 188.000,=, welk bedrag vervolgens is gedeeld door het aantal m2 waarvan partijen ten tijde van het sluiten van die overeenkomst uitgingen, te weten 570m2. De daaruit voortvloeiende prijs per m2 van f 329,82 is vervolgens naar beneden afgerond tot f 325,=. Nu het Kadaster tegen deze berekening geen bezwaar heeft gemaakt en deze het hof bovendien redelijk voorkomt, is de schadevordering van [appellant] op basis van voormelde berekening toewijsbaar.
2.3 [appellant] stelt ten aanzien van de door hem betaalde incassokosten ad f 500,= (waarvan hij van het Kadaster f 250,= vordert, gezien zijn beperking van de vordering in deze procedure), dat [S.] kort na aankoop van de woning heeft geconstateerd dat hij niet 570 m2, maar 530 m2 overgedragen had gekregen, dat [S.] aanspraak maakte op een vergoeding voor het tekort aan overgedragen vierkante meters grond, dat [appellant] niet in staat was het door [S.] gevorderde bedrag zelf te voldoen, dat hij, [appellant], het Kadaster direct in kennis heeft gesteld van de aansprakelijkstelling van [S.] en het Kadaster daarvoor aansprakelijk heeft gesteld, maar dat het Kadaster aansprakelijkheid van de hand heeft gewezen. [appellant] heeft vervolgens het nodige gedaan om te trachten het Kadaster te overtuigen, doch dat is hem niet gelukt. Omdat [S.] de uitkomst van het geschil tussen [appellant] en het Kadaster niet wenste af te wachten heeft hij een advocaat ingeschakeld, die [appellant] aansprakelijk heeft gesteld voor het schadebedrag van f 9.750,=, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten ad f 500,=, aldus [appellant].
2.4 Uit de hiervoor weergegeven stellingen van [appellant], die door het Kadaster niet zijn weersproken, volgt dat de reden dat [appellant] [S.] niet aanstonds heeft schadeloos gesteld was gelegen in het feit dat hij het door [S.] gevorderde bedrag niet kon betalen en dat hij om die reden het Kadaster, dat volgens [appellant] de (uiteindelijk) aansprakelijke partij was, zelf direct aansprakelijk heeft gesteld. Nu het Kadaster (naar uit het tussenarrest volgt ten onrechte) aansprakelijkheid van de hand wees en de schade niet voor zijn rekening wenste te nemen, kan het Kadaster [appellant] in deze omstandigheden niet tegenwerpen dat [appellant] [S.] niet aanstonds heeft voldaan. Dat [S.] vervolgens zijn vordering op [appellant] ter incasso uit handen heeft gegeven staat in zodanig verband met de voormelde houding van het Kadaster, dat de daardoor veroorzaakte kosten als vermogensschade aan het Kadaster kan worden toegerekend. Uit de stellingen van [appellant] en de door hem overgelegde brief leidt het hof af dat de door [S.] ingeschakelde advocaat slechts één brief heeft verzonden, teneinde de vordering van [S.] bij [J.] te incasseren en dat [appellant] daarna heeft betaald. De daarmee gemoeide kosten stelt het hof in redelijkheid vast op f 250,=. Nu [appellant] ook niet meer dan dat bedrag van het Kadaster vordert, is ook dit onderdeel van de vordering toewijsbaar.
2.5 De slotsom luidt dat het bestreden vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat de vordering van [appellant] wordt toegewezen. Het Kadaster wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties.
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 18 december 2000 en, opnieuw rechtdoende:
veroordeelt het Kadaster aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van EUR 4.537,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg;
veroordeelt het Kadaster in de kosten van de procedure, in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] vastgesteld op EUR142,94 aan verschotten en EUR 263,19 aan salaris voor zijn gemachtigde en in hoger beroep tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op EUR 284,48 aan verschotten en EUR 816,80 aan salaris voor zijn procureur;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs Van der Poel, Olthof en Hillen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2002.