2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij ter griffie van het hof op 27 september 2002 ingekomen verzoekschrift is B in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 23 september 2002 en heeft hij verzocht dit vonnis te vernietigen en tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling te weigeren.
2.2 Het hof heeft kennis genomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken, van de op 3 oktober 2002 ter griffie van het hof ontvangen stukken van de bewindvoerder en van de op 9 oktober 2002 ontvangen stukken van mr. H-T, advocaat te Almere.
2.3 De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op 17 oktober 2002,
Waarbij B verscheen in persoon, bijgestaan door mr. H-T voornoemd.
De bewindvoerder is eveneens verschenen. Daarnaast zijn verschenen H , partner van B , C.L-Van den B en P.K, beiden werkzaam bij de stichting Kompaan.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
3.2 Bij de aanvraag om toelating tot de schuldsaneringsregeling is door B onder meer melding gemaakt van een fraudeschuld aan de Sociale Dienst van de gemeente Almere van f 96.009,15 (€ 43.567,05), welke schuld is ontstaan in de periode van 16 februari 1995 tot en met 2 maart 1999. In verband met onder meer deze fraude is E bij vonnis van de politierechter van 26 mei 2000 strafrechtelijk veroordeeld. Ondanks de aard en de omvang van deze fraudeschuld is B destijds wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden toch tot de schuldsaneringsregeling toegelaten.
3.3 De bewindvoerder is, nadat de schuldsaneringsregeling van toepassing was verklaard, gebleken van een schuld van E aan UWV Bouwnijverheid (hierna:UWV), doordat UWV haar vordering op B bij de bewindvoerder indiende. B heeft bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling van deze schuld geen melding gemaakt. De hoogte van de schuld bedraagt thans € 8.407,49 en bedroeg oorspronkelijk € 10.184,-.
Deze schuld is ontstaan in de periode van 9 september 1996 tot en met 31 december 1998 en door de uitvoeringsorganisatie bij besluit van 7 mei 1999 teruggevorderd.
B heeft in voornoemde periode inkomsten uit arbeid genoten naast zijn WAO –uitkering, zonder deze inkomsten te melden aan de uitkerende instantie.
Bij voornoemd vonnis van de politierechter te Zwolle van 26 mei 2000 is B ter zake van deze door hem gepleegde WAO-fraude en voornoemde bijstandsfraude veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte van 140 uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van twee jaar.
Het hof is van oordeel dat B ten aanzien van het ontstaan van de fraudeschuld aan de UWV niet te goeder trouw is geweest. Niet alleen heeft B geen bezwaar gemaakt tegen de invorderingsbeslissing van de UWV van 7 mei 1999, ook is hij terzake strafrechtelijk veroordeeld en heeft hij de opgelegde straf inmiddels uitgevoerd. Het is niet aan het hof om nogmaals te treden in de beoordeling van het frauduleuze karakter van deze schuld. Voor zover door B in hoger beroep is aangevoerd dat het niet melden van deze schuld bij de aanvraag van de schuldsaneringsregeling hem niet kan worden verweten omdat hij het vonnis van de politierechter niet goed had begrepen en hij meende dat deze schuld hem was kwijtgescholden dan wel dat hij voor deze fraudeschuld was vrijgesproken, gaat het hof hieraan voorbij. B werd immers bij de strafzaak bijgestaan door een advocaat, zoals hij ter zitting van het hof zelf heeft verklaard.